Eerste lid Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de inkomensvoorziening. Verlaging van de uitkering kan in beginsel op twee manieren:
met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de inkomensvoorziening; of
door middel van verlaging van het inkomensvoorziening in de eerstvolgende maand(en).
Het verlagen van de inkomensvoorziening die nog moet worden verstrekt, is de gemakkelijkste methode. In dat geval hoeft niet te worden overgegaan tot herziening van de inkomensvoorziening en het terugvorderen van netto te veel betaalde inkomensvoorziening. Daarom is vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerste dag van de eerstvolgende kalendermaand(en), waarbij wordt uitgegaan van de voor die maand(en) geldende norm.
Tweede lid Wanneer een uitkeringsbedrag nog niet (volledig) aan de belanghebbende is uitbetaald, kan het praktisch zijn om de verlaging van de uitkering te verrekenen met het bedrag dat nog moet worden uitbetaald. In dat geval moet de inkomensvoorziening wel worden herzien.
Derde lid In dit artikel wordt geregeld dat een maatregel ook inbaar is als de inkomensvoorziening is beëindigd. Dit gebeurt door herziening van de toegekende inkomensvoorziening. De herziening leidt tot een terugvordering van teveel verstrekte inkomensvoorziening.
Vierde lid Bij sterke vermoedens van fraude kan de inkomensvoorziening worden opgeschort, in afwachting van nader onderzoek. Dit voorkomt betalingen waarvan het grote vermoeden bestaat dat ze ten onrechte worden gedaan. Het terug te vorderen bedrag wordt hiermee beperkt.
HOOFDSTUK 5.
Artikel 8.
Ingangsdatum en tijdvak maatregel
Onderdeel van Maatregelverordening Wet investeren in jongeren 2010