In deze verordening wordt verstaan onder:
a.
markt:
de door het college ingestelde warenmarkt;
b.
marktterrein:
het gebied zoals aangegeven op de situatietekeningen, behorende bij het Instellingsbesluit warenmarkten;
c.
marktmeester:
de persoon die als zodanig is aangewezen door het college;
d.
standplaats:
de ruimte die voor de duur van de markt is aangewezen voor het uitoefenen van de markthandel;
e.
vaste standplaats:
de standplaats die voor onbepaalde tijd ter beschikking is gesteld aan een vergunninghouder;
f.
dagplaats:
de standplaats die per marktdag ter beschikking wordt gesteld aan een vergunninghouder,
omdat deze niet als vaste standplaats is toegewezen dan wel ingenomen;
g.
standwerken:
de activiteit waarbij de vergunninghouder publiek om zich heen verzamelt en dat publiek door een aansprekende uiteenzetting probeert over te halen tot de aankoop van een artikel.
h.
standwerkersplaats:
de standplaats die per marktdag ter beschikking wordt gesteld om te standwerken;
i.
branche:
een door het college te bepalen soort of assortiment van waren of goederen;
j.
vergunninghouder:
degene aan wie door het college vergunning is verleend voor het innemen van een standplaats;
k.
wachtlijst:
de lijst van gegadigden voor een vaste standplaats;
l.
anciënniteitslijst:
de lijst van vergunninghouders van een vaste standplaats als bedoeld in artikel
8;
m.
verkoopwagen/markavan:
een uitklapbare en/of uitschuifbare marktwagen;
n.
college:
het college van burgemeester en wethouders.
Paragraaf 1
Artikel 1
Begripsomschrijvingen
Onderdeel van Verordening op de warenmarkten voor de gemeente Dordrecht 2004