Deze verordening verstaat onder:
budgetsubsidie: een subsidie waarbij de gemeente de activiteiten die met de subsidie worden verricht inhoudelijk stuurt op prestaties en resultaten; n
investeringssubsidie: een subsidie in de kosten van de bouw, herstel, verbouwing en uitbreiding van gebouwen of de inrichting daar van;
waarderingssubsidie: een subsidie waarbij in beginsel geen verband bestaat tussen de kosten die de ontvanger maakt en de subsidie die zij ontvangt, bedoeld om een bepaalde activiteit of groep van activiteiten aan te moedigen dan welwaardering daarvoor kenbaar te maken. Waarderingssubsidies zijn vrijwel altijd structureel en dienen te worden aangevraagd voor 1 april voorafgaande aan het jaar waarvoor de subsidie wordt aangevraagd;
tussentijdse subsidie: een subsidie ten behoeve van een activiteit dan wel investering die verricht wordt in het jaar waarin de subsidieaanvraag wordt gedaan. Een tussentijdse subsidie kan gedurende het hele jaar -mits niet structureel van aard; dan betreft het een waarderingssubsidie- worden aangevraagd. Een tussentijdse subsidie kan overigens wel het karakter van een waarderingssubsidie hebben;
activiteitenplan: een overzicht dat de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd aangeeft met de daarmee nagestreefde doelstellingen en beoogde effecten en de relatie met het gemeentelijk beleid;
de raad: de raad van de gemeente Schiedam
burgemeester en wethouders: burgemeester en wethouders van Schiedam.
Subsidie
Het begrip subsidie wordt in de begripsomschrijvingen niet opgenomen, aangezien de Awb dit al definieert in artikel 4:21. Dit artikel bepaalt dat onder subsidie wordt verstaan: "de aanspraak op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten".
Deze definitie is bepalend voor beantwoording van de vraag of een
bepaalde relatie tussen de gemeente en een instelling is te kwalificeren als subsidierelatie. Zo is het leveren van goederen en diensten om niet of onder de kostprijs (denk aan het beschikbaar stellen van (sport)accommodaties) geen subsidie. Geld van particuliere instellingen en particuliere fondsen valt evenmin onder het subsidiebegrip, aangezien deze instellingen geen bestuursorganen zijn.
Ook inkomensvoorzieningen op grond van de Wet Bijzondere Bijstand, de Wet voorzieningen gehandicapten of de Wet individuele huursubsidies zijn geen subsidies. Deze gelden worden namelijk niet verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, maar om te voorzien in de kosten van het bestaan. De subsidietitel van de Awb is tenslotte ook niet van toepassing op uitkeringen waarvoor een wettelijke grondslag geldt en waarvan de ontvanger een publiekrechtelijke rechtspersoon is (bijvoorbeeld uitkeringen van de rijksoverheid aan de andere overheden en uitkeringen aan gemeenschappelijke regelingen).
De verschillen tussen de genoemde subsidies zijn de volgende.
Budgetsubsidies worden gekenmerkt door een primair inhoudelijke sturing vanwege de gemeente op de prestaties en resultaten die met activiteiten worden bereikt. Dit wordt ook wel output- of troughputsturing genoemd. Strikt genomen is de omvang van de afspraken en de subsidie niet van belang als criterium voor deze subsidievorm; meestal worden ze niettemin toegepast bij grotere instellingen.
Een investeringssubsidie is een subsidievorm die louter betrekking heeft op het subsidiëren van investeringen in gebouwen, terreinen en/of inrichtingen (en dus niet activiteiten). Achteraf vindt de vaststelling van de subsidie plaats op basis van toegestane subsidiabele kosten.
Van een waarderingssubsidie is sprake indien de gemeente niet nadrukkelijk op prestaties of resultaat wil sturen. Het betreft meestal kleine subsidies voor activiteiten die men (op basis van vastgesteld beleid) graag wil stimuleren respectievelijk in stand wil houden. Deze subsidies worden direct vastgesteld en dus niet meer achteraf 'afgerekend'.
Het verschil tussen de voorgaande subsidies en de tussentijdse subsidie is dat de eerdergenoemde subsidies aangevraagd (en toegekend) worden in het jaar vóórdat de activiteiten plaats vinden en dat de tussentijdse subsidie pas in het lopende begrotingsjaar wordt aangevraagd. Toekenning vindt dan meestal plaats uit stelposten in de begroting. Subsidiëring kan zowel in de vorm van directe vaststelling (dan lijkt het op een waarderingssubsidie of op een budgetsubsidie 'zonder afrekening') als in de vorm van verlening met vaststelling achteraf (dan lijkt het op een investeringssubsidie of op een budgetsubsidie met 'afrekening').
Hoofdstuk 1
Artikel 1.1
Begripsomschrijvingen
Onderdeel van Algemene subsidieverordening Schiedam 2006