Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3.

Artikel 5.

Gehuwden

Onderdeel van Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand

1.. De verlaging bedoeld in artikel 26 van de wet bedraagt 10% van de gehuwdennorm voor gehuwden in wier woning een ander zijn hoofdverblijf heeft dan wel voor gehuwden die in de woning van een ander hun hoofdverblijf hebben. 2.. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt geen verlaging op de gehuwdennorm toegepast voor gehuwden, die in de woning van een ander hun hoofdverblijf hebben kunnen aantonen woonlasten te hebben die tenminste 18% van de gehuwdennorm bedragen dan wel kostgeld verschuldigd te zijn dat tenminste 36% van de gehuwdennorm bedraagt. 3.. Indien gehuwden hun woning bewonen met meer dan één kostganger en/of onderhuurder, worden de daaruit voortvloeiende lagere algemene noodzakelijke kosten van het bestaan met inachtneming van artikel 33, vierde lid, van de wet als inkomen in aanmerking genomen voorzover daarmee nog geen rekening is gehouden bij de verlaging van de norm als bedoeld in het eerste lid. 4.. Voor de toepassing van het eerste lid van dit artikel worden de volgende personen niet in aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft: thuisinwonende meerderjarige kinderen van 18 jaar of ouder die een in aanmerking te nemen inkomen hebben van ten hoogste het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger onderwijs, genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000; de zorgbehoevende, diegene die zorgbehoefte heeft. 5.. In afwijking van het gestelde in het eerste en tweede lid wordt de bijstandsnorm voor het gezin ingevolge artikel 27 van de wet verlaagd met 20% van de gehuwdennorm, voor zover de gehuwden lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het in het geheel niet verschuldigd zijn van woonlasten dan wel indien deze in zijn geheel door een derde worden voldaan.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel