Naar hoofdinhoud

Artikel 3.

Langdurig, laag inkomen zonder uitzicht op verbetering

Onderdeel van Verordening langdurigheidstoeslag

1.. Aan de in artikel 36, eerste lid, van de wet gestelde voorwaarde van het hebben van een langdurig laag inkomen is voldaan als gedurende de referteperiode het gemiddelde inkomen per maand niet uitkomt boven 105 procent van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. 2.. Ten aanzien van perioden waarin een belanghebbende is uitgesloten van het recht op bijstand wordt een belanghebbende voor de toepassing van het eerste lid geacht een inkomen te hebben ter hoogte van 100 procent van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. 3.. Bij een aanvraag voor langdurigheidstoeslag door gehuwden dienen beide gezinsleden te voldoen aan de voorwaarden als genoemd in artikel 36 van de wet. 4.. Ten aanzien van perioden waarin bij gehuwden één echtgenoot is uitgesloten van het recht op bijstand worden zij voor de toepassing van het eerste lid geacht een inkomen te hebben ter hoogte van 100 procent van de gehuwdennorm, waarbij voor ‘bijstandsnorm’ gelezen moet worden ‘gehuwdennorm’, tenzij deze situatie zich nog steeds voordoet op de peildatum, in welk geval artikel 4, derde lid onverminderd van toepassing is. 5.. Niet voor de langdurigheidstoeslag komt in aanmerking de belanghebbende die gedurende de referteperiode een opleiding heeft gevolgd of volgt als bedoeld in de WTOS of de WSF 2000.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel