**1..** Een raad dient jaarlijks uiterlijk op 1 oktober van het jaar, voorafgaande aan het begrotingsjaar,
een begroting in bij het college.
**2..** Het college beoordeelt de begroting en stelt op basis hiervan een jaarbudget vast voor diverse
activiteiten van de raden, waarin begrepen de activiteiten van subcommissies en
ad-hoccommissies.
Activiteiten die uit dit budget bekostigd kunnen worden, zijn onder meer:
lokaal, regionaal, landelijk en internationaal overleg, overleg met derden en overleg met
ingezetenen;
deelnemen aan cursussen, congressen, seminars, symposia, studiedagen, conferenties,
beurzen, deskundigheidsbevorderingen en trainingen;
inschakelen van (externe) deskundigen,
steeds voor zover deze activiteiten niet zijn te vergoeden of te bekostigen op grond van
artikel 29 van de Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2006.
**3..** Presentiegelden, vergoedingen en tegemoetkomingen voor de leden van de raden, subcommissie
en ad-hoccommissies op grond of met toepassing van de artikelen 26 en 27 van de Verordening
rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2006, zoals genoemd in artikel 7 van dit
reglement, worden niet uit het in lid 2 genoemd budget bekostigd.
**4..** Indien de begroting niet tijdig volgens het eerste lidis ingediend, stelt het college een budget vast
op basis van het lopende budget.
**5..** Indien tijdens het lopende begrotingsjaar het budget onvoldoende blijkt te zijn, treedt de voorzitter
van een raad in overleg met het college. Het college kan besluiten het budget aan te passen.
HOOFDSTUK 3
Artikel 10
Begroting en budget
Onderdeel van Reglement Seniorenraad en Gehandicaptenraad 2010