Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 3

Artikel 10

Begroting en budget

Onderdeel van Reglement Seniorenraad en Gehandicaptenraad 2010

1.. Een raad dient jaarlijks uiterlijk op 1 oktober van het jaar, voorafgaande aan het begrotingsjaar, een begroting in bij het college. 2.. Het college beoordeelt de begroting en stelt op basis hiervan een jaarbudget vast voor diverse activiteiten van de raden, waarin begrepen de activiteiten van subcommissies en ad-hoccommissies. Activiteiten die uit dit budget bekostigd kunnen worden, zijn onder meer: lokaal, regionaal, landelijk en internationaal overleg, overleg met derden en overleg met ingezetenen; deelnemen aan cursussen, congressen, seminars, symposia, studiedagen, conferenties, beurzen, deskundigheidsbevorderingen en trainingen; inschakelen van (externe) deskundigen, steeds voor zover deze activiteiten niet zijn te vergoeden of te bekostigen op grond van artikel 29 van de Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2006. 3.. Presentiegelden, vergoedingen en tegemoetkomingen voor de leden van de raden, subcommissie en ad-hoccommissies op grond of met toepassing van de artikelen 26 en 27 van de Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2006, zoals genoemd in artikel 7 van dit reglement, worden niet uit het in lid 2 genoemd budget bekostigd. 4.. Indien de begroting niet tijdig volgens het eerste lidis ingediend, stelt het college een budget vast op basis van het lopende budget. 5.. Indien tijdens het lopende begrotingsjaar het budget onvoldoende blijkt te zijn, treedt de voorzitter van een raad in overleg met het college. Het college kan besluiten het budget aan te passen.

Rechtspraak bij dit artikel