Naar hoofdinhoud

Artikel 8

Bijzondere regels voor het plaatsen van een bouwplaatsinrichting of bouwobjecten

Onderdeel van Besluit vergunningsvrije en meldingsplichtige voorwerpen op de openbare plaats of een gedeelte daarvan en daaraan verbonden nadere regels

Het is toegestaan bouwplaatsinrichting of bouwobjecten te plaatsen indien wordt voldaan aan de algemene regels van artikel 4 en aan de volgende bijzondere regels: straatkolken, rioolputten, brandkranen of enigerlei andere afsluitingen die behoren tot een openbare nutsvoorziening worden niet geopend, onzichtbaar gemaakt of afgedekt; aan of boven het voor voetgangers of (brom)fietsers bestemde deel van de openbare plaats of gedeelte daarvan wordt geen prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen aangebracht of gehangen lager dan 2,2 meter boven dat gedeelte van de openbare plaats of gedeelte daarvan; het object is deugdelijk beveiligd tegen neervallen op de openbare plaats of gedeelte daarvan; op de kopse kanten van de objecten in de richting van het verkeer dienen retroreflecterende platen geplaatst te worden om het verkeer hierop attent te maken; (elektrische) draden en kabels moeten zodanig worden aangepast dat het publiek daarmee niet in aanraking kan komen. (Elektrische) draden en kabels dienen te worden vastgezet; de afstand van de voorwerpen tot de gevel van een gebouw, opgeslagen goederen of een bossage dient te zijn: a) minimaal 15,00 meter indien het een houten of plastic container of bouwkeet betreft; b) minimaal 15,00 meter indien de inhoud (brand)gevaarlijke stoffen bevat; c) minimaal 7,50 meter indien het een stalen, doch open container of bouwkeet betreft; d) minimaal 5,00 meter indien het een gesloten container of bouwkeet betreft; de voorwerpen dienen zodanig te worden beheerd dat vandalisme en brandstichting tot een minimum worden beperkt; afvalstoffen, stoffen en losse voorwerpen dienen zodanig te worden beheerd en opgeslagen te zijn dat verspreiding buiten de bouwplaats c.q. het afgezette terrein niet mogelijk is; na afloop van de plaatsingperiode dient de openbare plaats of gedeelte daarvan in ordentelijke staat te worden opgeleverd; ingebruikname van de openbare plaats of gedeelte daarvan door de bouwplaatsinrichting of bouwobjecten kan voor een periode van maximaal 3 maanden, gerekend vanaf het moment van ingebruikname; de aanvang van de werkzaamheden dient tenminste 3 weken van te voren (digitaal) gemeld te worden; op de dag van beëindiging van de werkzaamheden dient hiervan (digitale) melding te worden gedaan.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel