Uitgangspunt is dat bij handhaving gefaseerd wordt gehandeld:
De 1e fase begint met de constatering van de overtreding. Doorgaans op basis van rapportages van de toezichthouder, de GGD. De GGD doet op basis van de geconstateerde tekortkomingen een aanbeveling aan de gemeente om te komen tot een herstel van de situatie die voldoet aan de wettelijke vereisten, met daaraan verbonden een hersteltermijn.
De gemeente neemt op basis van deze aanbeveling actie de houder schriftelijk te wijzen op zijn wettelijke verplichting. De wet biedt daartoe een aantal instrumenten zoals: een aanwijzing of een verbod van het college van burgemeester en wethouders om een instelling in exploitatie te laten gaan. Deze instrumenten kunnen al naar gelang de ernst van de overtreding worden ingezet.
De GGD kan in deze fase, als zij oordeelt dat de kinderopvang zodanig tekortschiet dat
het nemen van maatregelen redelijkerwijs geen uitstel kan verdragen, ook zelf een schriftelijk bevel geven. Een (liefst schriftelijke) waarschuwing heeft geen formele status maar ligt in de aard van een “goede afspraak tussen houder en toezichthouder/gemeente”. De hersteltermijn gaat in beginsel in vanaf de datum van de inspectie waarop de overtreding is vastgesteld. Van de genoemde hersteltermijnen kan worden afgeweken bij:
recidive;
meerdere tekortkomingen;
andere naar de mening van de GGD inspecteur relevante gronden.
Bij een combinatie van overtredingen wordt uitgegaan van de zwaarste overtreding. Maatwerk is natuurlijk wel uitgangspunt.
De 2e fase is het moment waarop de hersteltermijn is verlopen. Wanneer de houder de benodigde maatregelen om te voldoen aan de wettelijke eisen niet of onvoldoende heeft genomen, volgt de fase dat bestuursrechtelijke handhavingsinstrumenten worden ingezet. De wet biedt het college daartoe de volgende mogelijkheden: bestuursdwang, de last onder dwangsom, verbod (verdere) exploitatie, uitschrijving uit het register en de bestuurlijke boete.
Voor een transparant handhavingsbeleid is het van belang op voorhand duidelijk te zijn over de omvang en de hoogte van de te nemen sanctiemaatregelen wanneer het gaat om een dwangsom/boete. In voorkomende gevallen zal na integraal ambtelijk overleg de hoogte van de sanctie worden bepaald. Uitgangspunten daarbij zijn de effectiviteit (op welke manier wordt de overtreding zo snel mogelijk ongedaan gemaakt), de aansluiting met andere handhavingssectoren en om eventueel economisch gewin van de overtreder te ontmoedigen.
Bij voortduring van de overtreding kan een dwangsom verbeurd worden, een hogere dwangsom of bestuurlijke boete worden opgelegd, bestuursdwang of een exploitatieverbod worden opgelegd, of tot uiteindelijke verwijdering uit het register leiden. Worden formele sanctie-instrumenten ingezet dan ligt het primaat voor het bepalen van de hersteltermijnen bij diegene die bevoegd is het sanctie-instrument in te zetten, dus de gemeente.
Hoofdstuk 3.
Artikel 3.2.
Fasering, handhaving in twee stappen
Onderdeel van Lokaal Handhavingsbeleid Wet Kinderopvang 2011 en bijbehorende bijlage: Afwegingsmodel Handhaving Kinderopvang