1.Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten
inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur
aan te leggen, te stoken of te hebben tenzij:
de verbranding betrekking heeft op schoon takken- en
snoeihout;
de verbranding plaatsvindt op particuliere grond dat in
eigendom is van de verbrander;
het verbranden van oogstafval, takken- en snoeihout
plaatsvindt op een onbrandbare ondergrond;
de omvang van de brandstapel niet groter is dan
10
m3;
de aanvrager ervoor zorgt dat er geen bodemverontreiniging
optreedt en daarmee artikel 13 van de Wet bodembescherming
(zorgplicht) niet wordt overtreden. Voor het aanmaken van
het vuur mag derhalve geen gebruik worden gemaakt van
vloeibare brandstoffen;
de verbrandingsresten binnen 7
dagen na de verbranding worden verwijderd
en afgevoerd op een verantwoorde wijze;
de weersomstandigheden het toelaten. Ten eerste moet het
droog weer zijn; dus bij regen of mist mag er geen
verbranding plaatsvinden. Ten tweede mag de windkracht
maximaal 5
Beaufort
zijn (max. 40 km/h);
er mag geen overlast voor de omgeving optreedt;
er continu toezicht van een volwassene is op het vuur. Dit
om het overslaan van vuur en ongelukken te voorkomen;
de volgende minimale afstanden worden aangehouden:
50
meter
van de openbare weg, 30 meter
van erven, gebouwen of brandgevaarlijke objecten,
7 meter van beplantingen en
5 meter uit de insteek van
een watergang;
de verbranding plaatsvindt tussen zonsop- en ondergang;
er maar geen verbranding plaatsvindt op zon- en
feestdagen;
binnen één uur voordat met de verbranding wordt begonnen,
dit wordt gemeld bij de regionale meldkamer van de brandweer
te Utrecht (tel. 030-2892714).
Hoofdstuk 5 › Afdeling 8
Artikel 5:34
Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken
Onderdeel van 1e herziening Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Lopik 2010