De zittingsperiode van een lid, de voorzitter en hun
plaatsvervangers eindigt in ieder geval aan het einde van de
zittingsperiode van de raad.
Een lid en zijn plaatsvervanger houden op lid te zijn van de
raadscommissie indien zij niet meer voldoen aan de in artikel 4,
derde lid, gestelde eisen.
De raad kan een lid ontslaan op voorstel van de fractie op wiens
voordracht het lid is benoemd.
De raad kan de voorzitter of zijn plaatsvervanger ontslaan.
Een lid, de voorzitter en hun plaatsvervangers kunnen te allen
tijde ontslag nemen. Zij doen daarvan schriftelijk mededeling
aan de raad. Het ontslag gaat een maand na de schriftelijke
mededeling in of zoveel eerder als hun opvolger is benoemd.
Indien door overlijden of ontslag een vacature ontstaat, beslist
de raad zo spoedig mogelijk over de vervulling daarvan met
inachtneming van artikel 4 en 5.
Indien een fractie blijkens een schriftelijke verklaring aan de
voorzitter van de raad niet langer vertegenwoordigd is in de
raad, vervalt het lidmaatschap van het lid dat op voordracht van
die fractie is benoemd, van rechtswege.
Hoofdstuk 2:
Artikel 6
Zittingsduur en vacatures
Onderdeel van VERORDENING OP DE RAADSCOMMISSIE LOPIK 2010