Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 2 › AFDELING 1 › Paragraaf 4

Artikel 2.1.4.1

Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Hardenberg

1.. Het is verboden zonder vergunning van het college respectievelijk van de burgemeester indien het een gebruik als terras betreft behorende bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 2.3.1.1, de weg of een weggedeelte te gebruiken anders dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. 2.. Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op: vlaggen, wimpels en vlaggenstokken, indien zij geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt; zonneschermen, voorzover ze zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg en voorzover: elk onderdeel zich hoger dan 2,2 meter boven dat gedeelte bevindt, en elk onderdeel, in welke stand het scherm ook staat, zich op meer dan 0,5 meter van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de weg bevindt, en elk onderdeel, in welke stand het scherm ook staat, minder dan 2 meter buiten de opgaande gevel reikt; de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de weg gebracht worden in verband met laden of lossen ervan. Degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten draagt er zorg voor dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg daarvan gereinigd is; voertuigen; voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard; evenementen als bedoeld in artikel 2.2.1; standplaatsen als bedoeld in artikel 5.2.3.1; uitstallingen, reclameobjecten en ramkraakbeveiligingen, als bedoeld in de “Beleidsnota uitstallingen, reclameobjecten, ramkraakbeveiligingen en terrassen”, indien de plaatsing geschiedt in overeenstemming met de daarin opgenomen beleidsregels. 3.. Het college kan categorieën van voorwerpen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid gestelde verbod niet geldt. 4.. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid worden geweigerd: indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; indien het beoogde gebruik hetzij op zich zelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak. 5.. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement Overijssel; De weigeringsgrond van het vierde lid, onder a, geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994; De weigeringsgrond van het vierde lid, onder b, geldt niet voor bouwwerken; De weigeringsgrond van het vierde lid, onder c, geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. 6.. Op de ontheffing bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel