Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Hoogte van de langdurigheidstoeslag

Onderdeel van Verordening langdurigheidstoeslag 2012 Horst aan de Maas

1.Indien het inkomen gedurende de referteperiode maximaal 100% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief maximale toeslag bedraagt, wordt de hoogte van de langdurigheidstoeslag per jaar vastgesteld op: voor gehuwden 40% van de norm genoemd in artikel 21, onder c van de wet. voor een alleenstaande ouder 40% van de som van de norm genoemd in artikel 21, onder b van de wet en de toeslag genoemd in artikel 25, tweede lid, van de wet; voor een alleenstaande 40% van de som van de norm genoemd in artikel 21, onder a van de wet en de toeslag genoemd in artikel 25, tweede lid, van de wet; Indien het inkomen gedurende de referteperiode meer dan 100% doch maximaal 105% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief maximale toeslag bedraagt, wordt de hoogte van de langdurigheidstoeslag per jaar vastgesteld op: voor gehuwden 20% van de norm genoemd in artikel 21, onder c van de wet. voor een alleenstaande ouder 20% van de som van de norm genoemd in artikel 21, onder b van de wet en de toeslag genoemd in artikel 25, tweede lid, van de wet; voor een alleenstaande 20% van de som van de norm genoemd in artikel 21, onder a van de wet en de toeslag genoemd in artikel 25, tweede lid, van de wet; Voor de toepassing van het eerste en tweede lid is de situatie op de peildatum bepalend. Indien één van de gehuwden op de peildatum is uitgesloten van het recht op langdurigheidstoeslag ingevolge artikel 11 of artikel 13 lid 1 van de wet komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor een langdurigheidstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. De bedragen genoemd in het eerste en tweede lid worden naar boven afgerond op hele euro’s.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel