Naar hoofdinhoud

Afdeling III

Artikel 21

Verbodsbepaling gebruik parkeerapparatuurplaats en -apparatuur

Onderdeel van Parkeerverordening Breda 2007

1.. Het is verboden parkeerapparatuur op andere wijze dan wel met andere munten dan die welke in de kennisgeving op de parkeerapparatuur staan aangegeven in werking te stellen. 2.. Het is verboden op een parkeerapparatuurplaats gedurende de tijden waarop het parkeren daar slechts tegen betaling is toegestaan: een (motor)voertuig te parkeren indien de parkeerapparatuur niet in werking is gesteld of niet onmiddellijk na aanvang van het parkeren in werking wordt gesteld. een (motor)voertuig geparkeerd te houden indien de parkeerapparatuur aangeeft dat de parkeertermijn is verstreken. 3.. Het in het tweede lid vervatte verbod geldt niet wanneer aan de eigenaar of houder van het motorvoertuig een vergunning is verleend voor het parkeren op de betreffende parkeerapparatuurplaatsen, het motorvoertuig duidelijk zichtbaar is voorzien van een vergunning en niet gehandeld wordt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorwaarden. 4.. Het in het tweede lid vervatte verbod is niet van toepassing op parkeerapparatuurplaatsen waar op grond van de vigerende parkeerbelastingverordening naheffingsaanslagen worden opgelegd wegens het niet betalen van verschuldigd parkeergeld.

Rechtspraak bij dit artikel