Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4

Artikel 9

De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende overtredingen

Onderdeel van Verordening Wet inburgering

1.. De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 250 indien de inburgeringsplichtige of de persoon ten aanzien van wie het college op redelijke gronden kan vermoeden dat deze inburgeringsplichtig is geen of onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek, bedoeld in artikel 25, vierde lid, van de wet. 2.. De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 500 indien de inburgeringsplichtige geen of onvoldoende medewerking verleent aan de uitvoering van de voor hem vastgestelde inburgeringsvoorziening, bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de wet of aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 6 van deze verordening. 3.. De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 500 indien de inburgeringsplichtige niet binnen de in artikel 7, eerste lid, van de wet bedoelde termijn of binnen de door het college op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel a, van de wet verlengde termijn het inburgeringsexamen heeft behaald. 4.. In geval van overtredingen waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd zal het college de inburgeringsplichtige eerst een schriftelijke waarschuwing geven. 5.. In geval van een schriftelijke waarschuwing voor overtredingen waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd stelt het college de inburgeringsplichtige in de gelegenheid deze mondeling of schriftelijk toe te lichten dan wel te herstellen. 6.. In geval dat na de onder punt 5 genoemde schriftelijke waarschuwing de overtredingen waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd niet zijn opgeheven zal alsnog een bestuurlijke boete conform de punten 1 t/m 3 volgen. 7.. Bij het opleggen van een bestuurlijke boete stemt het college de hoogte hiervan af op de individuele omstandigheden van de inburgeringsplichtige. 8.. De bestuurlijke boete wordt opgelegd conform de wettelijke bepalingen in artikelen 31; 32 en 33 van de Wet inburgering.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel