In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet 1990
moet de op grond van artikel 7, eerste lid verschuldigde belasting
worden betaald in twee termijnen, waarvan de eerste vervalt op de
laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening
van het aanslagbiljet is vermeld, en de volgende termijn twee
maanden later.
In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van
de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het
aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan meer is dan
€65,-, doch minder is dan € 9.000,-- en zolang de verschuldigde
bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden
afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in negen
gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de
dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen
telkens een maand later.
In afwijking van het eerste en tweede lid geldt dat, indien het
totale bedrag van de op één aanslagbiljet verenigde bedragen groter
dan of gelijk is aan € 9.000,-- dan dient de aanslag in één termijn
te worden betaald, welke vervalt op de laatste dag van de maand
volgend op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is
vermeld.
In afwijking van artikel 9 eerste lid van de Invorderingswet 1990
moet de op grond van artikel 7, tweede lid verschuldigde belasting
worden betaald op het moment van het uitreiken van de kennisgeving,
dan wel ingeval van toezending daarvan, binnen drie weken na
dagtekening van de kennisgeving.
Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c
van de Invorderingswet 1990, met een belastingaanslag gelijkgestelde
beschikking inzake een bestuurlijke boete is het eerste lid van
overeenkomstige toepassing, voor zover deze gelijktijdig wordt
opgelegd met de vaststelling van de aanslag.
De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de
voorgaande leden gestelde termijnen.