Aan de te verlenen vergunningen zoals genoemd in hoofdstuk 3, onder
artikel 3.1 en onder artikel 3.2 lid a. en in hoofdstuk 4, onder artikel
4.1 en artikel 4.2, worden de volgende voorschriften en beperkingen
verbonden:a. In de inrichting mogen alleen speelautomaten
worden opgesteld, welke in eigendom toebehoren aan personen die in het
bezit zijn van een exploitatievergunning. Bij de aanvraag voor het
verkrijgen van een vergunning genoemd onder hoofdstuk 3, onder artikel
3.1 en onder artikel 3.2 lid a. en in hoofdstuk 4, onder artikel 4.1 en
artikel 4.2 dient de aanvrager dan ook een bewijs hiervan te overleggen;
b. de vergunninghouder mag op geen enkele wijze door
middel van reclame of enig andere vorm van werving het aanwezig hebben
van (een) speelautoma(a)t(en) kenbaar maken;c. de vergunning
is slechts van toepassing op toegelaten speelautomaten;d. de
vergunning kan te allen tijde worden ingetrokken, indien de bepalingen
van de wet en de aan de vergunning verbonden voorschriften worden
overtreden;.e. de vergunninghouder wordt geacht de aan de
vergunning verbonden voorwaarden te hebben aanvaard;f. de
vergunning kan te allen tijde worden gewijzigd of ingetrokken;
g. deze vergunning dient in de inrichting aanwezig te
zijn.