**1.** Aan de ambtenaar wiens bezoldiging, als gevolg van het buiten zijn toedoen beëindigenof verminderen van een toelage als bedoeld in artikel 14, een blijvende verlagingondergaat, wordt door het bevoegd gezag een aflopende toelage toegekend, indien:
die blijvende verlaging ten minste 3% bedraagt van de som van het salaris en de toelagen bedoeld in artikel 9; en
de ambtenaar de toelage, als bedoeld in artikel 14, direct voorafgaande aan het tijdstipvan vorenbedoelde beëindiging of vermindering daarvan, gedurende ten minste 2 jaarzonder wezenlijke onderbreking heeft genoten.
**2.** In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt aan de ambtenaar van 55 jaar ofouder, wiens bezoldiging als gevolg van het buiten zijn toedoen beëindigen ofverminderen van een toelage, als bedoeld in artikel 14, een blijvende verlaging ondergaat,een blijvende toelage toegekend indien de ambtenaar de toelage als bedoeld in artikel 14direct voorafgaande aan het tijdstip van vorenbedoelde beëindiging of verminderingervan, gedurende ten minste 10 jaren zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten.
**3.** De in het eerste lid bedoelde aflopende toelage gaat, wanneer de ambtenaar de leeftijdvan 55 jaar bereikt en hij, onmiddellijk voor de aanvang van die toelage, gedurendetenminste 10 jaren zonder wezenlijke onderbreking een toelage als bedoeld in artikel 16heeft genoten, over in een blijvende toelage als bedoeld in het vorige lid.
**4.** Voor de toepassing van de voorgaande leden wordt onder wezenlijke onderbrekingverstaan een onderbreking van langer dan twee maanden.
**5.** Het bevoegd gezag stelt voor de uitvoering van dit artikel nadere regels vast.