De vakantie, waarop de ambtenaar recht heeft ingevolge artikel 6:1, wordt verleend, tenzij de belangen van de dienst daartegen verzetten.
De vakantie-aanspraak dient in de regel te worden opgenomen in het kalenderjaar waarin de aanspraak is ontstaan.
Voor zover het dienstbelang dit noodzakelijk maakt kan met instemming van de ondernemingsraad voor het personeel van een dienst vakantieroosters worden vastgesteld met inachtneming van het bepaalde in dit artikel.
De beslissing omtrent de tijdstippen waarop vakantie zal worden verleend, alsmede omtrent de tijdvakken waarin de vakantie eventueel zal worden gesplitst, berust bij het college. Bij die beslissing wordt, voor zover de belangen van de dienst dit toelaten, zoveel mogelijk rekening gehouden met de wensen van de ambtenaar.
De ambtenaar wordt in de gelegenheid gesteld vakantie op te nemen op officiële feestdagen, samenhangend met geloof en/of culturele achtergrond, anders dan de feestdagen genoemd in artikel 4:2:1, derde lid, bij het huwelijk of geregistreerd partnerschap van bloed- en aanverwanten in eerste en tweede graad en bij verhuizing.