Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 6:2:4:2

Vakantieopbouw en –opname, alsmede overschrijven verlof bij ziekte

Onderdeel van CAR/UWO

Aan het eind van het kalenderjaar vindt een korting wegens gehele of gedeeltelijke afwezigheid wegens ziekte plaats, waarbij het eerste half jaar van die ziekte voor korting buiten beschouwing gelaten wordt. Een opnieuw ingetreden gehele of gedeeltelijke verhindering tot dienstverrichting wegens ziekte wordt als een voortzetting van de vorige verhindering beschouwd, tenzij die verhindering zich voordoet na volledige werkhervatting, gedurende dertig aaneensluitende kalenderdagen.Het eerste half jaar wordt verlengd met onderbrekingstijdvakken van volledige werkhervatting gedurende minder dan 30 kalenderdagen. Therapeutische plaatsing wordt niet als werkhervatting beschouwd. Na het eerste half jaar ziekte wordt de op het hele kalenderjaar betrekking hebbende verlofaanspraak verminderd met de volledige verlofaanspraak, zoals voortvloeiend uit artikel 6:2:1:1, tot de datum van volledig herstel. Bij niet gehele afwezigheid wegens ziekte of therapeutische plaatsing wordt de vermindering als bij deeltijd berekend. De verlofaanspraak van de medewerker bestaat uit eventueel van het voorgaande kalenderjaar overgeschreven verlof vermeerderd met het op het hele kalenderjaar betrekking hebbende verlof minus de vermindering van het verlof op grond van het tweede lid. Van de aldus berekende verlofaanspraak wordt voor elke opgenomen verlofdag de formele arbeidsduur per dag in het kalenderjaar afgetrokken. Het college kan op advies van de arbo-dienst bepalen dat opgenomen vakantie, zoals in het zesde en zevende lid bepaald, niet als vakantieverlof wordt aangemerkt, indien: de vakantie-uren door de aard van de arbeidsongeschiktheid als niet genoten beschouwd worden of de vakantie als bevorderend voor het genezingsproces aangemerkt wordt. De wegens ziekte niet genoten vakantie-uren van de ambtenaar die tijdens zijn vakantie arbeidsongeschikt wordt, worden als niet verleend beschouwd indien: de ambtenaar zich op correcte wijze ziek meldt; en hij met behulp van een doktersverklaring aannemelijk kan maken dat hij, ware hem geen vakantie verleend, op die uren verhinderd zou zijn geweest zijn betrekking te vervullen. voet1 Indien de medewerker ondanks zijn ziekte in redelijkheid staat was van meer dan 144 uren verlof te genieten en het saldo van verlofaanspraak minus verlofopname, zoals bedoeld in het derde lid, negatief is, wordt dit saldo geacht 0 uren te bedragen. Indien voornoemd saldo positief is, wordt dit saldo in een volgend kalenderjaar verleend, met dien verstande dat het overschrijven van verlof is beperkt tot maximaal de helft van de aanspraak, zoals bedoeld in artikel 6:2:1:1, van dat volgende kalenderjaar. 1 Indien de medewerker vanwege zijn ziekte niet in redelijkheid in staat was van tenminste 144 uren verlof te genieten, dan blijft het verschil tussen 144 en de in dat kalenderjaar wel genoten verlofuren ter beschikking van de ambtenaar. Indien uit toepassing van het zevende lid een lager aantal over te schrijven uren volgt dan uit de toepassing van het eerste lid van artikel 6:2:4:1, dan blijven de uit het eerste lid van artikel 6:2:4:1 resulterende uren ter beschikking van de ambtenaar. De ambtenaar heeft de keuze de op basis van de leden zeven en acht ter beschikking blijvende verlofuren in het volgend kalenderjaar op te nemen of een spaarverloftegoed te vormen. Op het spaarverloftegoed is artikel 4:3 van toepassing als ware het tegoed voor 1 april 2006 opgebouwd. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week, geldt in de leden zes en zeven in plaats van 144 uren een evenredig lager aantal. voet1terug1 Zie ook artikel 2 lid 5 Overwerkregeling: “Het voor overwerk toekomende verlof moet uiterlijk aan het eind van het kalenderjaar volgend op het moment van ontstaan van de verlofaanspraak worden opgenomen.”

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel