De duur van het vakantieverlof bedraagt
voor de ambtenaar die op 1 januari van het betreffende kalenderjaar een salaris geniet dat lager is dan het maximum van schaal 9 180,8 uur;
vanaf dat maximum: 188 uur.
Afhankelijk van de leeftijd van de ambtenaar in het betreffende kalenderjaar wordt de in het eerste lid bepaalde duur verhoogd overeenkomstig de hierna volgende tabel:
Leeftijd(sklasse)
verhoging
(leeftijd op 1 januari)
15 tot en met 18 jaar
21,6 uur
19 jaar
14,4 uur
20 jaar
7,2 uur
(in het kalenderjaar bereikte leeftijd)
30 tot en met 39 jaar
7,2 uur
40 tot en met 44 jaar
14,4 uur
45 tot en met 49 jaar
21,6 uur
50 jaar of ouder
28,8 uur
Degenen die in 1998 55 jaar of ouder werden hebben aanspraak op een verhoging met 36 uur in plaats van 28,8 uur.
De duur van de vakantie van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week, wordt naar evenredigheid verminderd.
De in het eerste lid bepaalde vakantieduur wordt aan het einde van het kalenderjaar vermeerderd met 14,4 uren ten aanzien van degene, bedoeld in artikel 3:3, indien - behoudens verlofopname of arbeidsongeschiktheid – wekelijks op onregelmatige uren wordt gewerkt en betrokkene voor het werken op die uren niet reeds over het merendeel der kalenderweken een toelage onregelmatige dienst verkrijgt. Indien de ambtenaar niet voldoet aan het criterium dat wekelijks op onregelmatige uren gewerkt wordt, maar wel tenminste gedurende 26 weken in het kalenderjaar op onregelmatige uren werk is verricht en over tenminste 26 weken geen toelage onregelmatige dienst is ontvangen, dan wordt de vakantieduur aan het eind van het kalenderjaar vermeerderd met 7,2 uur. Deze uren mogen naar het volgend kalenderjaar worden overgeschreven bovenop het aantal uren zoals bepaald in artikel 6:2:4:1.