De bezoldiging van de ambtenaar wordt niet langer uitbetaald dan tot en met de maand van het overlijden.
Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de ambtenaar wordt aan de weduwe, weduwnaar of levenspartner een bedrag uitgekeerd gelijk aan de bezoldiging over een tijdvak van drie maanden vermeerderd met de vakantietoelage en de eindejaarsuitkering. Als maatstaf bij de berekening van het in de vorige volzin bedoelde bedrag wordt in aanmerking genomen de voor de ambtenaar op de dag van overlijden geldende bezoldiging per maand. Indien de overledene geen weduwe, weduwnaar of levenspartner nalaat, geschiedt de uitkering ten behoeve van de minderjarige wettige, natuurlijke en pleegkinderen. Ontbreken ook zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering, indien de overledene kostwinner was van ouders, meerderjarige kinderen, broeders of zusters, ten behoeve van deze betrekkingen.
Indien de overledene geen betrekkingen, bedoeld in het tweede lid, nalaat, kan het daarbedoelde bedrag door het bevoegd bestuursorgaan geheel of ten dele worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien de nalatenschap van de overledene voor de betaling van die kosten ontoereikend is.
Het college kan in gevallen waarin het bepaalde in de voorgaande leden niet of niet in redelijkheid voorziet een voorziening treffen. Door het college kan toegekend worden:
een aanvullende uitkering aan rechthebbenden als bedoeld in het tweede lid.
een afgeleide uitkering aan de “meest gerede partij”. Dit is het achtergebleven kind (anders dan in het tweede lid bedoeld) waarvoor kinderbijslag ontvangen wordt of een ouderbijdrage in studiefinanciering betaald wordt. In dit geval zal de aanvullende/ afgeleide uitkering voor het kind gelijk zijn aan het minimumloon per maand.
Het totaal van de aanvullende en/ of afgeleide uitkering is niet hoger dan het bedrag van de formele uitkering van drie maanden.