Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 1a:1:1:3

Nadere voorschriften bij gemandateerde bevoegdheden

Onderdeel van CAR/UWO

De volgende bevoegdheden worden gemandateerd aan het hoofd P&O: De bevoegdheid tot het aanwijzen van medewerkers als gedwongen mobiliteitskandidaat wordt met inachtneming van hetgeen in het derde lid van artikel 2:2:1:2 bepaald is gemandateerd aan het hoofd P&O voor zover het niet een medewerker betreft, die aangesteld is als lid van de directieraad. De bevoegdheid tot toepassing van de regeling woon-werkverkeer. De bevoegdheden als bedoeld in artikel 1a:1:1:2 onder B onderdeel 2 en 3, C, D onderdeel 9 en 11, E, F onderdeel 4 en 5, H, I, J, K onderdeel 2, L, M onderdeel 2, N onderdeel 2 t/m 6 en O. De bevoegdheden als bedoeld in artikel 1a:1:1:2 onder B onderdeel 2 en 3, C, E, F onderdeel 4, H, I, J onderdeel 1, 2 en 4 t/m 7, K onderdeel 2, L, M onderdeel 2, N onderdeel 2 t/m 6 en O kunnen bij wijze van ondermandaat worden uitgeoefend door het afdelingshoofd. De volgende bevoegdheden worden gemandateerd aan de voorzitter van het Meldpunt vermoedens integriteitschendingen: De bevoegdheden als bedoeld in artikel 1a:1:1:1 onder H onderdeel 2 en K onderdeel 2. De bevoegdheid tot het geven van een opdracht tot gerichte controle op e-mail en internetgebruik als bedoeld in het derde lid van artikel 7 en het tweede lid van artikel 8, alsmede de bevoegdheid om te bepalen dat persoonsgegevens langer worden bewaard als bedoeld in het eerste lid van artikel 9 van de Gedragscode voor het gebruik van e-mail- en internetfaciliteiten De bevoegdheid tot het aanwijzen van één of meerdere ICT-beheerders die belast zijn met de controle op persoonsgegevens en het treffen van voorzieningen als bedoeld in het zevende lid van artikel 3, alsmede het behandelen van verzoeken als genoemd in de leden twee en drie van artikel 5 van de Gedragscode voor het gebruik van e-mail- en internetfaciliteiten kan door het sectorhoofd I&B worden uitgeoefend. De volgende bevoegdheden worden gemandateerd aan de Programmamanager Persoonlijke Ontwikkeling en Mobiliteit: De bevoegdheid tot het nemen van besluiten zoals vermeld in artikel 3.11 lid 2, 4.3 onder d, 4.4 lid 3, 4.6 lid 1, 2 en 4, 4.7 lid 3 onder b en lid 5, 5.4 t/m 5.6, 5.8 t/m 5.18 van het Sociaal statuut gemeente Eindhoven 2012. De bevoegdheid tot het nemen van besluiten, zoals genoemd in artikel 1a:1:1:2 CAR/EAR ten aanzien van boventallige medewerkers. De bevoegdheid tot het nemen van het besluit zoals vermeld in artikel 3.1 lid 3 van het Sociaal statuut gemeente Eindhoven 2012 wordt gemandateerd aan de Projectleider reorganisatie.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel