Aan de ambtenaar wiens bezoldiging als gevolg van het buiten zijn
toedoen beëindigen of verminderen van een toelage, als bedoeld in
artikelen een blijvende verlaging ondergaat, wordt door burgemeester en
wethouders een aflopende toelage toegekend, indien:
die blijvende verlaging ten minste 3% bedraagt van de som van
het salaris en de toelage, als bedoeld in artikel 30:0:0:15, en
de ambtenaar de toelage direct voorafgaande aan het tijdstip
van vorenbedoelde beëindiging of vermindering ervan, gedurende
ten minste twee jaren zonder wezenlijke onderbreking heeft
genoten.
De aflopende toelage bedraagt in het eerste jaar 100% van de
oorspronkelijke toelage, in het tweede jaar 75% van de oorspronkelijke
toelage, in het derde jaar 50% van de oorspronkelijke toelage en in het
vierde jaar 25% van de oorspronkelijke toelage.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt aan de ambtenaar
van 55 jaar of ouder wiens bezoldiging als gevolg van het buiten zijn
toedoen beëindigen of verminderen van een toelage - als bedoeld in
artikelen 30:0:0:21 en 30:0:0:22 - een blijvende verlaging ondergaat,
een blijvende toelage toegekend, indien de ambtenaar de toelage - als
bedoeld in artikelen 30:0:0:21 en 30:0:0:22 - direct voorafgaande aan
het tijdstip van vorenbedoelde beëindiging of vermindering ervan
gedurende ten minste 10 jaren zonder wezenlijke onderbreking heeft
genoten.
De in het eerste lid bedoelde aflopende toelage gaat, wanneer de
ambtenaar de leeftijd van 55 jaar bereikt en hij onmiddellijk voor de
aanvang van die toelage gedurende tenminste 10 jaren zonder wezenlijke
onderbreking een toelage - als bedoeld in artikelen - heeft 30:0:0:21 en
30:0:0:22 genoten, over in een blijvende toelage als bedoeld in het
vorige lid.
Voor de toepassing van de voorgaande leden wordt onder wezenlijke
onderbreking verstaan een onderbreking van langer dan twee maanden,
anders dan wegens ziekte en of verlof.