In deze verordening en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:
a.
eigenaar:
de eigenaar als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Wet;
b.
Gebruiksbesluit:
het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken;
c.
huishouden:
een alleenstaande, dan wel twee of meer personen die een gemeenschappelijke huishouding voeren of willen gaan voeren;
d.
kamer:
hetgeen in het Bouwbesluit 2003 wordt verstaan onder verblijfsruimte, met dien verstande dat tevens sprake moet zijn van een onzelfstandige woonruimte als bedoeld onder h en een minimale hoogte van 2.40 meter en een minimale oppervlakte van 10 m²;
e.
kamerverhuur:
het door een eigenaar verhuren van een kamer in een woning of een andere ruimte met woonfunctie. Onder verhuur wordt in deze verordening mede verstaan het in gebruik geven;
f.
kamerverhuurpand:
gebouw of deel van een gebouw waarin kamers worden verhuurd aan drie of meer personen. Indien de kamerverhuurder tevens in het pand woonachtig is, telt de kamerverhuurder als één persoon;
g.
omzettingsvergunning:
de vergunning als bedoeld in artikel 30, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet alsmede artikel 2.2, van deze verordening.
h.
onzelfstandige woonruimte:
woonruimte die geen eigen hoofdtoegang heeft en die niet door een huishouden kan worden bewoond zonder afhankelijk te zijn van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte;
i.
verlengingsvergunning:
de vergunning als bedoeld in artikel 2.3, negende lid, van deze verordening.
j.
Wet: de Huisvestingswet;
k.
wezenlijke voorzieningen:
hieronder wordt in elk geval verstaan een keuken, toilet en badkamer;
l.
wijzigingsvergunning:
de vergunning als bedoeld in artikel 2.6, derde lid, van deze verordening.
m.
woonruimte:
de woonruimte als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet;
n.
zelfstandige woonruimte:
de woonruimte als bedoeld in artikel 30, tweede lid, van de Wet.