Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1

Artikel 1.1

Begripsomschrijvingen

Onderdeel van Huisvestingsverordening gemeente Emmen

In deze verordening en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder: a. eigenaar: de eigenaar als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Wet; b. Gebruiksbesluit: het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken; c. huishouden: een alleenstaande, dan wel twee of meer personen die een gemeenschappelijke huishouding voeren of willen gaan voeren; d. kamer: hetgeen in het Bouwbesluit 2003 wordt verstaan onder verblijfsruimte, met dien verstande dat tevens sprake moet zijn van een onzelfstandige woonruimte als bedoeld onder h en een minimale hoogte van 2.40 meter en een minimale oppervlakte van 10 m²; e. kamerverhuur: het door een eigenaar verhuren van een kamer in een woning of een andere ruimte met woonfunctie. Onder verhuur wordt in deze verordening mede verstaan het in gebruik geven; f. kamerverhuurpand: gebouw of deel van een gebouw waarin kamers worden verhuurd aan drie of meer personen. Indien de kamerverhuurder tevens in het pand woonachtig is, telt de kamerverhuurder als één persoon; g. omzettingsvergunning: de vergunning als bedoeld in artikel 30, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet alsmede artikel 2.2, van deze verordening. h. onzelfstandige woonruimte: woonruimte die geen eigen hoofdtoegang heeft en die niet door een huishouden kan worden bewoond zonder afhankelijk te zijn van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte; i. verlengingsvergunning: de vergunning als bedoeld in artikel 2.3, negende lid, van deze verordening. j. Wet: de Huisvestingswet; k. wezenlijke voorzieningen: hieronder wordt in elk geval verstaan een keuken, toilet en badkamer; l. wijzigingsvergunning: de vergunning als bedoeld in artikel 2.6, derde lid, van deze verordening. m. woonruimte: de woonruimte als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet; n. zelfstandige woonruimte: de woonruimte als bedoeld in artikel 30, tweede lid, van de Wet.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel