Naar hoofdinhoud

2. de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen › Paragraaf 5 -

Artikel 2.5.23

toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen

Onderdeel van Bouwverordening 1993

1.. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist tussen de voor- en de achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan tot de vlakken die de verticale vlakken door de voorgevelrooilijn en door de achtergevelrooilijn snijden op de - krachtens de artikelen 2.5.20 en 2.5.21 - maximale bouwhoogte en die met het horizontale vlak een hoek vormen van: 60 graden in delen van de bebouwde kom, aangeduid op de bij de bouwverordening behorende kaart; 45 graden in het overige deel van de bebouwde kom; 37 graden buiten de bebouwde kom. 2.. Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een zijgevel heeft die gelegen is tegen­over een achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok, mag dit bouwwerk bovendien niet hoger reiken dan tot het vlak dat het verticale vlak door die zijgevel snijdt ter hoogte van de - krachtens artikel 2.5.22 - maximale bouwhoogte en dat met het horizontale vlak een hoek vormt van 56 graden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel