Naar hoofdinhoud

2. de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen › Paragraaf 5 -

Artikel 2.5.3

bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer, brandblusvoorzieningen

Onderdeel van Bouwverordening 1993

1.. Indien de toegang tot een bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is bestemd, niet zijnde een woning, meer dan 10 meter is verwijderd van een openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang en het openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor verhuisauto’s, vuilnisauto’s, ziekenauto’s, brandweerauto’s en het overige te verwachten verkeer. Indien de toegang is tot een woning of een brandweertoegang (of hoofdtoegang) van een "niet tot bewoning bestemd" gebouw, dan mag de toegang voor wat betreft brandweervoertuigen niet meer dan 40 meter zijn verwijderd van de openba­re weg; de afstand tussen het aansluitpunt van de droge blusleiding en de opstelplaats van het blusvoertuig mag maximaal 15 meter bedragen. 2.. Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet, tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een bestemmingsplan of in een verordening of anderszins voorschriften heeft vastgesteld: een breedte hebben van ten minste 4,5 m, over een breedte van ten minste 3,25 m zijn verhard en een vrije hoogte boven de kruin van de weg hebben van ten minste 4,2 m; zijn verhard op een wijze die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kg en zijn voorzien van de nodige kunstwerken; en op doeltreffende wijze kunnen afwateren. 3.. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een bijgebouw voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht geen vergunning is vereist, voor zover dat bijgebouw niet tot bewoning bestemd is, maar wel tot een hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde terrein is gelegen. 4.. Nabij ieder bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is bestemd, moeten zodanige opstel­plaatsen voor brandweerauto’s aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding tussen die auto’s en de bluswatervoorziening kan worden gelegd. 5.. Bij afwezigheid van een toereikende openbare bluswatervoorziening moet worden zorg gedragen voor een doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening. Een bluswatervoorziening wordt geacht doeltreffend te zijn als aan het volgende wordt voldaan: de capaciteit en soort van de bluswatervoorziening moet overeenkomen met de risicogebieden die voortkomen uit de inschatting volgens de "Richtlijnen Materieels- en Personeelssterkte Gemeentelijke Brandweer" van de Directie Brandweer van het Ministerie van Binnenlandse Zaken; de brandkranen tot op een afstand van 15 meter door een brandweervoertuig kunnen worden benaderd; een brandkraan op de waterleiding aanwezig is binnen een afstand van 35 meter vanaf iedere voedingsaansluiting van een droge blusleiding; de directe omgeving van een waterwinplaats vrij wordt gehouden van begroeiing en andere obstakels; indien een waterwinplaats in het trottoir wordt aangelegd moet de afstand tot de trottoirrand ten minste 0,35 meter bedragen bij het langsparkeren en ten minste 0,75 meter bij dwarsparkeren; indien de waterwinplaats bestaat uit "open water" gelden de volgende maximale afstanden: de horizontale afstand tussen de opstelplaats van het blusvoertuig en het wateroppervlak 5 meter; de vertikale afstand tussen de opstelplaats en het wateroppervlak 8 meter. indien als secundaire waterwinplaats "open water" moet worden gebruikt, gelden de volgende maximale afstanden als bedoeld onder punt 6, tot het brandobject; hemelsbreed gemeten: 225 meter; over de weg gemeten: 320 meter. 6.. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste en het vierde lid, indien de aard, de ligging en het gebruik van het bouwwerk zich daarvoor lenen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel