**1..** Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in
artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit:
a. de resultaten van een recent standaard vooronderzoek
verricht volgens NEN 5725 (uitgave 2009);
indien op basis van het vooronderzoek aanleiding
bestaat te veronderstellen dat er een
bodemverontreiniging aanwezig is, worden tevens
ingediend de resultaten van een recent milieuhygiënisch
verkennend bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740,
uitgave 2009, in overeenstemming met het
onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1;
indien op basis van het milieuhygiënisch verkennend
bodemonderzoek een vermoeden bestaat dat er sprake is
van een geval van ernstige bodemverontreiniging, worden
tevens ingediend de resultaten van een nader onderzoek,
verricht volgens NTA 5755 (uitgave 2010);'
indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat
te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen
asbestvezels, -deeltjes of stof, in de bodem aanwezig
is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als
voorzien in NEN 5707, uitgave 2003.
**2..** De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld
in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht geldt
niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar
aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het
Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II. Deze
verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit
omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II.
**3..** Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van
de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in
artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht toe, indien
voor toepassing van artikel 2.4.1 bij het bevoegd gezag reeds
bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.
**4..** Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht
tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in
artikel 2.5, onder cd, van de Regeling omgevingsrecht toestaan
voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn, als
bedoeld in artikel 2.23 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
en artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht, indien uit het
in NEN 5725, uitgave 2009, bedoelde vooronderzoek naar het
historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de
locatie onverdacht is, dan wel de gerezen verdenkingen een
volledig veldonderzoek volgens NEN 5740, uitgave 2009, niet
rechtvaardigen.
**5..** Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige
bouwwerken zijn gesloopt en er als gevolg van de aanwezige
bouwwerken vooraf geen goed beeld kan worden verkregen van de
bodemsituatie, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat
is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen.
**6..** Bodemonderzoekendienen geheel overeenkomstig
vastgestelde protocollen en NEN normen en overeenkomstig
hoofdstuk 2 uit het Besluit bodemkwaliteit te worden uitgevoerd.
De onderzoeksbureaus moeten in het bezit zijn van een erkenning
op grond van het Besluit bodemkwaliteit. Niet van
toepassing is het bepaalde in dit lid
vooronderzoeken van voor 1 juli 2007. De rapportage
moet als volgt worden ingediend:
- een papieren rapportage
- een digitaal exemplaar in pdf-bestand
- een digitaal exemplaar in SIKB-0101 xml-bestand (meest
recenteversie.