**1..** Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe
aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen
van auto’s in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of
onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat
bij dat gebouw behoort.
**2..** Aan het eerste lid wordt geacht te zijn voldaan indien het
aantal parkeerplaatsen ten minste overeenkomt met het aantal
parkeerplaatsen dat voor het betreffende gebied en de
betreffende functie is genoemd in de tabel in bijlage 7a, met
inachtneming van de toepassingsregels onder aan de tabel.
**3..** De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van
auto’s, inclusief de rijwegen om deze ruimten te bereiken,
moeten redelijkerwijs bereikbaar zijn per auto en onafhankelijk
van andere parkeerruimten kunnen functioneren. Voorts moet deze
ruimte afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare
personenauto’s. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan:
indien de desbetreffende afmetingen in overeenstemming
zijn met het bepaalde in NEN 2443, uitgave 2000, de
Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de
bebouwde kom (ASVV 2004 van het Centrum voor Regelgeving
in de Grond-, Water en Wegenbouw en de Verkeerstechniek,
CROW) en de Ontwerpwijzer gebouwde parkeervoorzieningen
(CROW, 1996) wat betreft de in de bijlage opgenomen
afmetingen van parkeerwegen;
indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte
voor een gehandicapte in overeenstemming is met de
Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de
bebouwde kom (ASVV 2004 van het Centrum voor Regelgeving
in de Grond-, Water en Wegenbouw en de Verkeerstechniek,
CROW) en de Richtlijn integrale toegankelijkheid
openbare ruimte (CROW 2002).
**4..** Indien de bestemming van een gebouw
aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor
het laden of lossen van goederen, moet in de behoefte in
voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan
wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw
hoort.
**5..** Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
bepaalde in het eerste en het vierde lid:
voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of
stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt
voorzien. In het geval in het openbaar gebied wordt
voorzien in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan
wel laad- of losruimte is het uitsluitend toegestaan op
grond van dit onderdeel ontheffing te verlenen indien
het naar het oordeel van burgemeester en wethouders
redelijkerwijs fysiek onmogelijk of uit stedenbouwkundig
oogpunt ongewenst is op eigen terrein in de nodige
parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte
te voorzien of
voor zover het gaat om het bezoekersdeel in
de parkeernorm voor de binnenstad (zone A), of
in situaties waar het algemeen belang is gediend kan van
de parkeernorm worden afgeweken. De gemeente kan in
voorkomende gevallen maatwerk bieden.
**6..** In het geval ontheffing wordt verleend ingevolge het vijfde lid,
op grond van het feit dat in het openbaar gebied wordt voorzien
in de nodige parkeer- of stallingsruimte, dan wel laad- of
losruimte zijn burgemeester en wethouders bevoegd aan de
ontheffing de verplichting tot betaling van een
compensatiebedrag te verbinden, waarbij een bedrag van € 5.000,-
per parkeerplaats dan wel laad- of losplaats wordt gehanteerd.
Voor genoemde bedragen wordt het prijspeil 2010 gehanteerd en
worden jaarlijks geïndexeerd op basis van het jaarlijkse
prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie.
Hoofdstuk 2. › Paragraaf 5 -
Artikel 2.5.30
parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen
Onderdeel van Bouwverordening 1993