Naar hoofdinhoud
Als aan een woning geen woonkosten verbonden zijn, is sprake van lagere bestaanskosten dan in andere gevallen. Artikel 32 WIJ opent om die reden de mogelijkheid om de norm of de toeslag te verlagen. Dat is in artikel 5 lid 1 gerealiseerd. Het bepaalde onder a leidt ertoe dat de norm of toeslag met het basisbedrag op grond van de Wet op de Huurtoeslag wordt verlaagd als de jongere geen woonkosten betaalt. Dit bedrag is begrepen in de uitkering, pas boven dit bedrag kan men een beroep doen op de Wet op de Huurtoeslag. Dat kan zich voordoen bij krakers (wel energielasten), of als de woonkosten worden betaald door een derde, bijv. de ouders of de ex-partner. Onder woonkosten wordt in dit verband verstaan de huur of, als de jongere een eigen woning bewoont, de verschuldigde hypotheekrente en de aan het eigendom verbonden zakelijke lasten alsmede een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud (CRvB 6 november 2001, nrs. 99/7 en 99/29 NABW). Wordt de norm of toeslag verlaagd omdat de jongere geen woonlasten/woonkosten heeft en is hij daarnaast medebewoner, zodat de toeslag ook nog eens op die grond verlaagd wordt, dan kan dit spoedig als een te ver gaande vorm van verlaging van de uitkering worden aangemerkt, gelet op het totale effect van de dubbele verlaging (zie CRvB 27 mei 2008, LJN: 2698). Op grond van het individualiseringsbeginsel zal de verlaging dan beperkt moeten worden. In artikel 3 lid 3 wordt de toeslag geregeld voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder die geen woning bewoont of geen woonlasten heeft. Indien de jongere geen woonlasten heeft omdat hij geen woning bewoont of wel een woning bewoont maar geen woonlasten heeft, wordt de toeslag vastgesteld op 2%. Artikel 5 lid 2 is een spiegel van artikel 3 lid 3. Daar waar de alleenstaande (ouder) die geen woning bewoont of geen woonlasten heeft, een toeslag ontvangt van 2%, levert dezelfde systematiek bij gehuwden een verlaging op van 18%. Bij samenloop van verlagingen bepaalt lid 2 dat de hoogste verlaging voorrang heeft, dus verlaging op woonsituatie gaat voor op woningdeling. Samenloop WIJ-uitkering en WWB-uitkering Hiervan is sprake bij gehuwden waarbij een partner jonger is dan 27 jaar en recht heeft op een voorziening op grond van de WIJ en een partner die recht heeft op een bijstandsuitkering. Deze samenloop van zowel bijstandsuitkering /uitkering van de WWB en de WIJ bij gehuwden is geregeld in artikel 28 lid 3 en 4 van de WIJ.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel