1 In deze verordening wordt verstaan onder
a de wet: de Algemene bijstandswet, Stb. 1995, 199;
b alleenstaande: de ongehuwde van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar die geen tot zijn last komende kinderen heeft en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad;
c alleenstaande ouder: de ongehuwde van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar die de volledige zorg heeft voor een of meer tot zijn last komende kinderen en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad;
d alleenstaande zwervende de ongehuwde zwervende dakloze van 21 jaar of ouder,
dakloze doch jonger dan 65 jaar die niet beschikt over of niet langdurig gebruik maakt van zelfstandige huisvesting, of van residentiële huisvesting, of onderdak bij familie of vrienden
e gehuwd: een persoon die gehuwd is en 21 jaar of ouder is, doch jonger dan 65 jaar;
f kind: het in Nederland woonachtige eigen kind of stiefkind;
g ten laste komend kind: het kind, jonger dan 18 jaar, voor wie de alleenstaande ouder of de gehuwde aanspraak op kinderbijslag kan maken;
h belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken;
i woning: een woning, een woonwagen en een woonschip;
j woonkosten: 1 indien een huurwoning wordt bewoond, de op de aanvangsdatum van het lopende huursubsidietijdvak per maand geldende huurprijs als bedoeld in de Wet individuele huursubsidie, Stb. 1986, 265;
2 indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag per maand omgerekende som van de ten behoeve van de financiering van de woning verschuldigde hypotheekrente en de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten en een naar de omstandigheden vast te stellen redelijk bedrag voor onderhoud, waarbij onder zakelijke lasten worden verstaan: de rioolrechten, het eigenaarsaandeel van de onroerende-zaakbelasting, de brandverzekering, de opstalverzekering en het eigenaarsaandeel van de waterschapslasten;
3 indien een woonwagen in huur dan wel in eigendom wordt bewoond, de tot een bedrag per maand herleide op 1 juli geldende woonkosten, als beschreven in artikel 5, tweede lid, van de Beschikking geldelijke steun ten behoeve van het bekostigen van de bewoning van een woonwagen;
k netto minimumloon: het minimumloon per maand, genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, verhoogd met aanspraak op vakantiebijslag waarop een werknemer op grond van artikel 15 van die wet over dat minimumloon tenminste aanspraak kan maken, na aftrek van de daarvan in te houden loonbelasting, premies volksverzekeringen, premies werknemersverzekeringen en het werknemersaandeel ziekenfondspremie;
de loonbelasting en premies volksverzekeringen worden berekend overeenkomstig de bepalingen in artikel 55, tweede lid, van de wet;
l verzorgingsbehoeftige: degene die is geïndiceerd voor opname in een verzorgings- of verpleeghuis;
degene die zodanig ernstig is gehandicapt dat hij zonder hulp of verzorging zou zijn aangewezen op opname in een verzorgingshuis of in een andere inrichting ter verzorging of verpleging;
m verzorgende: medebewoner die de verzorgingsbehoeftige verzorgt;
n medebewoner: degene die zijn hoofdverblijf heeft in een (deel van een) woning waarin nog iemand anders zijn hoofdverblijf heeft.
2 Als gehuwd of als echtgenoot wordt mede aangemerkt de ongehuwde van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar die met een persoon van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad.
3 Als ongehuwd wordt mede aangemerkt degene van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.
4 Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
5 Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:
a zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt;
b uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander;
c zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract, of
d zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding bedoeld in het vierde lid.
6 De kosten van het bestaan kunnen slechts dan worden gedeeld met een medebewoner indien deze tenminste beschikt over een inkomen dat gelijk is aan de vergoeding voor levensonderhoud voor de studerende thuiswonende op grond van de Wet op de studiefinanciering, vermeerderd met 10% van de gehuwdennorm in het kader van de Algemene bijstandswet.
Hoofdstuk 2 Categorieën