In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in vier gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens drie maanden later.
Indien de dagtekening van de aanslag op of na 1 april van het kalenderjaar valt, wordt het aantal betalingstermijnen verkort tot drie termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens drie maanden later;
Indien de dagtekening van de aanslag op of na 1 juli van het kalenderjaar valt, wordt het aantal betalingstermijnen verkort tot twee termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de volgende termijn drie maanden later.
Indien de dagtekening van de aanslag op of na 1 oktober van het kalenderjaar valt, wordt het aantal betalingstermijnen verkort tot één termijn die vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.
De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen.
Hoofdstuk
Artikel 9
Termijnen van betaling
Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van precariobelasting 2014