Naar hoofdinhoud
1. In de gevallen bedoeld in artikel 6, eerste lid, is de precariobelasting verschuldigd bij de aanvang van het belastingtijdvak of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. 2. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak aanvangt is de naar jaartarief geheven precariobelasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat tijdvak verschuldigde belasting als er in dat tijdvak, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 3. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor de naar jaartarieven geheven precariobelasting voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat tijdvak verschuldigde precariobelasting als er in dat tijdvak, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven, tenzij blijkt dat het bedrag van de ontheffing minder bedraagt dan € 50. Artikel 9 Termijnen van betaling In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990, dienen de aanslagen als volgt te worden voldaan: A: aanslagen op basis van dagtarief Indien de aanslag is gebaseerd op het dagtarief, dient de aanslag in één termijn te worden voldaan die vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld. B: aanslagen op basis van het jaartarief: Indien de aanslag is gebaseerd op het jaartarief, dient de aanslag te worden betaald in vier gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens drie maanden later. Indien de dagtekening van de aanslag op of na 1 april van het kalenderjaar valt, wordt het in lid 1 genoemde aantal betalingstermijnen verkort tot drie termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens drie maanden later; Indien de dagtekening van de aanslag op of na 1 juli van het kalenderjaar valt, wordt het in lid 1 genoemde aantal betalingstermijnen verkort tot twee termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de volgende termijn drie maanden later. Indien de dagtekening van de aanslag op of na 1 oktober van het kalenderjaar valt, wordt het in lid 1 genoemde aantal betalingstermijnen verkort tot één termijn die vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld. De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel