Het is verboden bij een parkeerapparatuurplaats bij een
parkeermeter gedurende de tijden waarop het parkeren daar
slechts tegen betaling is toegestaan:
een voertuig te parkeren indien de parkeermeter niet in werking
is gesteld of niet onmiddellijk na aanvang van het parkeren in
werking wordt gesteld;
een voertuig geparkeerd te houden indien de parkeermeter
aangeeft dat de parkeertermijn is verstreken;
Het is verboden op een parkeerapparatuurplaats bij een
parkeerautomaat gedurende de tijden waarop het parkeren daar
slechts tegen betaling is toegestaan:
een voertuig te parkeren indien de parkeerautomaat niet in
werking is gesteld of niet onmiddellijk na aanvang van het
parkeren in werking wordt gesteld;
een voertuig geparkeerd te houden indien de parkeerautomaat
aangeeft dat de parkeertermijn is verstreken;
een voertuig te parkeren zonder dat in of op het voertuig een
door de parkeerautomaat afgegeven parkeerkaart van buitenaf goed
leesbaar aanwezig is en waarvan het op die parkeerkaart
afgedrukte tijdstip nog niet is overschreden.
Voor zover een voertuig is voorzien van een voorruit moet de in
het derde lid, sub c bedoelde parkeerkaart van buitenaf goed
leesbaar achter die voorruit aanwezig zijn.
Het in het tweede en derde lid vervatte verbod geldt niet
wanneer aan de eigenaar of houder van het voertuig een
vergunning is verleend voor het parkeren op de desbetreffende
categorie parkeerapparatuurplaatsen, het voertuig duidelijk
zichtbaar is voorzien van een vergunning en niet gehandeld wordt
in strijd met de aan de vergunning verbonden voorwaarden.
Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
bepaalde in het tweede en derde lid van dit artikel.