Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
artikel 10:29 lid 1)
**1.** Het bedrag van het wachtgeld is gedurende de eerste drie maanden
gelijk aan 87% van de bezoldiging, gedurende de daaropvolgende negen
maanden 77% van die bezoldiging en vervolgens 67% van die
bezoldiging. Bij intrekking van de Wet van 20 december 1984 (Stb.
1984, 657) worden de percentages, genoemd in de vorige volzin, met 3
procentpunten verhoogd. Het bedrag van het wachtgeld daalt echter
niet beneden het bedrag van het pensioen waarop de betrokkene recht
zou hebben indien hij uit de betrekking waaruit hij met recht op
wachtgeld is ontslagen, op de dag van dat ontslag zou zijn
gepensioneerd naar de diensttijd, voor zover geldig voor pensioen,
en de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 6.2 van het
pensioenreglement, in de betrekking waaruit het wachtgeld is
toegekend.
**2.** In afwijking van het vorige lid is het bedrag van het wachtgeld
tijdens de verlenging bedoeld in artikel 10:8, vierde lid, gelijk
aan het bedrag van het pensioen, bedoeld in het vorige lid, met dien
verstande dat gedurende het eerste jaar van die verlenging het
wachtgeld ten minste bedraagt 40% van de bezoldiging.