Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
artikel 10:29 lid 1)
**1.** De betrokkene doet van het ter hand nemen van arbeid of bedrijf op
of na de dag waarop hem ontslag is verleend of hem schriftelijke
mededeling is gedaan van het voornemen hem ontslag te verlenen,
onverwijld mededeling aan het college of aan een door het college
aan te wijzen ambtenaar. Daarbij doet hij, voor zover mogelijk,
opgave van de inkomsten die hij uit die arbeid of dat bedrijf zal
verkrijgen. Tijdelijke of blijvende wijzigingen in alle evengenoemde
bedragen geeft hij tijdig voor het verschijnen van de eerstvolgende
wachtgeldtermijn op.
**2.** Indien de in het eerste lid bedoelde bedragen niet vooraf door de
betrokkene zijn op te geven, doet hij vóór het verschijnen van elke
wachtgeldtermijn opgave van hetgeen hij sedert het ter hand nemen
van de arbeid of het bedrijf dan wel sedert de vorige opgave heeft
verkregen. Brengt de aard van de arbeid of het bedrijf, ter
beoordeling van het college, mede dat de inkomsten over een langere
termijn moeten worden berekend, welke echter niet langer dan een
jaar mag zijn, dan geschiedt de opgave dienovereenkomstig en wordt
het bedrag van de vermindering voorlopig vastgesteld onder
voorbehoud van verrekening aan het einde van evenbedoelde
termijn
**3.** Bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering kan van een
opgave, bedoeld in het tweede lid, worden afgeweken.
**4.** Het in de voorgaande leden bepaalde vindt overeenkomstige
toepassing ten aanzien van de arbeid of bedrijf en de inkomsten
daaruit, bedoeld in artikel 10:15, derde en vierde lid.