1.1 Verstrekking van een toegekende individuele voorziening in de vorm
van een persoonsgebonden budget vindt plaats op verzoek van de
aanvrager.
1.2 Verstrekking als persoonsgebonden budget vindt niet plaats
indien:
a. een algemene voorziening zoals omschreven in de Verordening adequaat
is. Een persoonsgebonden budget wordt alleen verstrekt ten aanzien van
individuele voorzieningen;
b. op grond van aanwijzingen die tijdens het onderzoek duidelijk zijn
geworden het ernstige vermoeden bestaat dat de aanvrager problemen zal
hebben bij het omgaan met een persoonsgebonden budget, tenzij de
aanvrager de beschikking heeft over een derde die zorg draagt over het
beheer;
c. de aanvrager eerder onverantwoord is omgegaan met een
persoonsgebonden budget voor individuele Wmo- voorzieningen.
d. er sprake is van in de persoon gelegen bezwaren.
1.3 Een aanvrager als bedoeld onder 1.2. onder b. of c. kan alsnog in
aanmerking komen voor een persoonsgebonden budget, als na een
herbeoordeling blijkt dat, door gewijzigde omstandigheden, de aanvrager
vermoedelijk wel verantwoord met het persoonsgebonden budget kan omgaan.
Het college kan voor de herbeoordeling advies inwinnen bij
deskundigen.
1.4 Het persoonsgebonden budget wordt bij beschikking bekendgemaakt aan
de aanvrager. De beschikking vermeldt:
de omvang van het persoonsgebonden budget;
de termijn waarvoor het persoonsgebonden budget bestemd is;
voor welke voorziening het persoonsgebonden budget is bestemd,
met verwijzing naar het bijgevoegde programma van eisen waarin
is aangegeven aan welke vereisten de voorziening dient te
voldoen om adequaat te zijn;
indien van toepassing: een aankondiging van de eigen
bijdrage/het eigen aandeel in de kosten. De eigen bijdrage wordt
vastgesteld en geïnd door het CAK.
e. Een toelichting op de voorwaarden verbonden aan de inzet van
het persoonsgebonden budget.
1.5 Na verzending van de beschikking wordt het persoonsgebonden budget
ter beschikking gesteld door storting op de rekening van de aanvrager of
wettelijk vertegenwoordiger aanvrager optreedt.
1.6 De verantwoording van het persoonsgebonden budget door de
budgethouder aan het college vindt plaats na verstrekking van het
budget. Controle op de verantwoording vindt steekproefsgewijs plaats na
afloop van de verstrekking dan wel na afloop van enig kalenderjaar en
heeft een minimale omvang van 15 % van de verstrekte persoonsgebonden
budgetten.
1.7 In het kader van de verantwoording zoals bedoeld in artikel 1.6
dient iedere budgethouder de volgende stukken 5 jaarte
bewaren:
- de nota van de aangeschafte voorziening;
- een betalingsbewijs van aanschaf van de voorziening;
- schriftelijke overeenkomst met de hulpverlener(s) of erkende
zorgaanbieders en een overzicht van de verstrekte vergoedingen
(declaratieformulieren) en of de overeenkomst met de Sociale
Verzekeringsbank t.b.v. houders van een persoonsgebonden budget
- alle overige documenten met betrekking tot inzicht in de besteding van
het verstrekte persoonsgebonden budget.
Hoofdstuk 1 Bijzondere regels over het persoonsgebonden budget
Artikel 1
Regels rond verstrekking en verantwoording
Onderdeel van Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Deurne 2012