In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet gelden de
termijnen zoals gesteld in het eerste tot en met het vierde lid:
De voorlopig gevorderde bedragen en het definitief gevorderde bedrag
moeten worden betaald zoals staat aangegeven op de (eind)afrekening
van het waterbedrijf.
De aanslagen moeten worden betaald in één termijn die vervalt op de
laatste dag van de tweede maand volgend op de maand die in de
dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.
In de gevallen dat de belastingplichtige toestemming heeft verleend
voor automatische betaling van de verschuldigde belastingbedragen,
moet worden betaald in vijf gelijke termijnen waarbij de eerste
termijn vervalt één maand na dagtekening van het aanslagbiljet en
elk van de volgende termijnen telkens één maand later.
In afwijking van het gestelde in het derde lid geldt: wanneer het
totaal verschuldigde belastingbedrag op een aanslagbiljet minder
bedraagt dan € 30,- en meer bedraagt dan € 1.750,- dient de aanslag
te worden betaald in één termijn die vervalt op de laatste dag van
de tweede maand volgend op de maand die in de dagtekening van het
aanslagbiljet is vermeld.
Met betrekking tot een volgens artikel 2, tweede lid, onderdeel c,
van de Invorderingswet 1990 met een belastingaanslag gelijkgestelde
beschikking betreffende een bestuurlijke boete is het eerste lid van
overeenkomstige toepassing, voorzover deze gelijktijdig wordt
opgelegd met de vaststelling van de aanslag.
De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in dit artikel
gestelde termijnen.
Artikel 10
Termijnen van betaling
Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2012