Naar hoofdinhoud
1.. De afstemming wordt opgelegd met ingang van de kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de afstemming aan de jongere is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de op de voor de jongere van toepassing zijnde Wij-norm ten tijde van de gedraging. 2.. In afwijking van het eerste lid kan de afstemming met terugwerkende kracht worden opgelegd, voor zover de ingangsdatum daardoor niet voor de datum van de gesanctioneerde gedraging komt te liggen. Daarbij wordt uitgegaan van de op de voor de jongere van toepassing zijnde Wij-norm ten tijde van de gedraging. 3.. Indien de verlaging niet kan worden opgelegd omdat de inkomensvoorziening inmiddels is beëindigd, wordt de verlaging alsnog gerealiseerd door middel van herziening van het recht op inkomensvoorziening over de periode waarin de verwijtbare gedraging plaatsvindt, voor zover de ingangsdatum daardoor niet voor de datum van de gesanctioneerde gedraging komt te liggen. 4.. Indien de verlaging niet kan worden geëffectueerd met toepassing van het eerste, tweede, of derde lid, vindt realisatie plaats door verlaging van de inkomensvoorziening indien aan de jongere opnieuw recht op inkomensvoorziening wordt verleend. 5.. Indien de verlaging slechts gedeeltelijk kan worden geëffectueerd wordt de verlaging met toepassing van het eerste, tweede of derde lid, gedeeltelijk geëffectueerd. Het restant van de verlaging wordt niet geëffectueerd.

Rechtspraak bij dit artikel