Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 43

Artikel 43

Onderdeel van Richtlijnen bijzondere bijstand

A. Wanneer de bijstandsnorm van artikel 20 WWB ontoereikend is en de zelfstandig wonende  jongeren van 18 tot 21 jaar geen beroep kan doen op de onderhoudsplicht van de ouders vanwege een ernstig verstoorde relatie of wanneer ouders weigeren rechtstreeks aan hun onderhoudsplicht  ten aanzien van het kind te voldoen,  kunnen wij  bijzondere bijstand voor levensonderhoud  verstrekken. B. De hoogte van de bijzondere bijstand wordt individueel bepaald en is afhankelijk van de noodzakelijke kosten die de aanvrager ook daadwerkelijk moet maken om in het bestaan te  kunnen voorzien.  De hoogte van de totale bijstandsuitkering (norm algemene bijstand op grond  van artikel 20 WWB + bijzondere bijstand op grond van artikel 12 WWB) is in ieder geval gelijk  aan 90% van het voor de leeftijdscategorie die betrokkene gedurende dat kalenderjaar bereikt  geldende netto minimumloon zoals gepubliceerd door het ministerie van Sociale Zaken. C. In geval van samenwonenden moeten beide partners afzonderlijk een aanvraag indienen. In deze  situatie komt ieder van de partners dan in aanmerking voor maximaal 50% van de aanvulling via  de bijzondere bijstand. D. De vakantietoeslag berekenen wij over de norm voor de algemene bijstand en niet over de aanvulling via de bijzondere bijstand. E. Eventuele inkomsten uit of in verband met arbeid die hoger liggen dan de norm 18 tot 21 jaar brengen wij in mindering op de toe te kennen bijzondere bijstand. F. De verstrekte bijzondere bijstand verhalen wij, wanneer een beroep op de ouders niet mogelijk is vanwege een ernstig verstoorde relatie of wanneer ouders weigeren rechtstreeks aan hun onderhoudsplicht ten aanzien van het kind te voldoen, waar mogelijk op de ouders. G. De bijzondere bijstand beëindigen wij uiterlijk op de dag dat betrokkene de 21-jarige leeftijd  bereikt. Vaste lasten tijdens verblijf in inrichting Als een belanghebbende wordt opgenomen in een inrichting moet de bijstandsnorm hieraan worden aangepast. De bijstandsnorm voor personen in een inrichting is erg laag en uitsluitend bedoeld als zak- en kleedgeld. Het is voor een alleenstaande of alleenstaande ouder in beginsel niet mogelijk om hier ook de vaste lasten van zijn woning uit te voldoen. De CRvB heeft geoordeeld dat de bijstandsnorm voor een in een inrichting verblijvende alleenstaande niet voorziet in de volgende gedurende het verblijf in de inrichting doorlopende kosten: * de kosten van een kabeltelevisieabonnement; * de kosten van een telefoonabonnement; * de kosten van de woninghuur; * de kosten van het maandelijkse termijnbedrag voor levering van energie; * de kosten van de inboedelverzekering. Indien de opname van de alleenstaande (ouder) tijdelijk is, maar naar verwachting langer dan 3 maanden duurt kan bijzondere bijstand voor de doorbetaling van vaste lasten als huur, gas, water, elektra verstrekt worden met ingang van de datum waarop de cliënt een uitkering zak- en kleedgeld krijgt. Deze bijzondere bijstand wordt verstrekt zolang de gemeente dat verantwoord vindt. De gemeente betrekt de verwachting van de zorginstelling in deze bij deze afweging. Bij de vaststelling van de hoogte van de bijzondere bijstand voor gas, water, elektra gaan wij uit van de hoogte van de voorschotnota’s. De overige woonlasten zoals bijvoorbeeld OZB, e.d., worden voor de berekening van de bijzondere bijstand niet meegenomen. Voor de aflossing van een hypotheek en de ‘spaarpot’ bij een spaarhypotheek bij een eigen woning kan evenmin bijzondere bijstand worden verleend. In dit geval zou bijstandsverlening leiden tot vermogensvermeerdering, hetgeen niet de strekking is van de WWB.  De eigenaar zal met de hypotheekverstrekker een regeling moeten treffen.

Rechtspraak bij dit artikel