**1.** Indien er sprake is van een subsidieverlening ingevolge art. 13, vierde lid, wordt de subsidie binnen uiterlijk een jaar na afloop van de subsidieperiode, door het college vastgesteld.
**2.** De subsidie kan naast de gevallen, vermeld in art. 4:46, tweede en derde lid Awb, lager worden vastgesteld, indien:
a. is gebleken, dat de subsidie aan andere activiteiten is besteed dan waarvoor zij is aangevraagd, dan wel verstrekt;
b. de subsidieontvanger feitelijk niet of niet voldoende overeenkomstig zijn doelstellingen werkzaam is en hierin ondanks ontvangen schriftelijke waarschuwing geen verandering brengt;
c. de subsidieontvanger een financieel wanbeleid voert;
d. de instelling bij rechterlijk vonnis is ontbonden;
e. bij de subsidieontvanger conservatoir of executoriaal beslag is gelegd op het vermogen of een deel ervan;
f. aan de subsidieontvanger surseance van betaling is verleend;
g. de subsidieontvanger in staat van faillissement is verklaard.
**3.** Het college kan, zolang de subsidie niet is vastgesteld, de subsidieverlening intrekken of ten nadele van de subsidieontvanger wijzigen als zich een geval voordoet als genoemd in art. 4:48, lid 1 en art. 4:50, lid 1 Awb, of een geval als genoemd in het vierde lid. In het geval van toepassing van art. 4:50 Awb moet een redelijke termijn in acht worden genomen.
**4.** Het college kan een vastgestelde subsidie intrekken of ten nadele van de subsidieontvanger wijzigen in de gevallen, genoemd in art. 4:49, eerste lid Awb. Deze bepaling is ook van toepassing op de directe subsidievaststelling.