**1..** Indien het laatste in de gezinsbijstand begrepen kind van een alleenstaande ouder niet langer ten laste van de voormalige alleenstaande ouder komt, wordt aan deze een toeslag verstrekt indien en voor zolang;
de voormalige alleenstaande ouder een uitkering ontvangt naar de norm voor een alleenstaande en;
het betreffende kind tot het huishouden van de voormalige alleenstaande ouder blijft behoren en;
het betreffende kind de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt en;
de som van de inkomens van de voormalige alleenstaande ouder en het betreffende kind lager is dan de uitkering die voor een echtpaar in overeenkomstige omstandigheden zou gelden.
**2..** De toeslag wordt vastgesteld op het verschil tussen de som van de inkomens van de voormalige alleenstaande ouder en het betreffende kind en de betreffende uitkering die voor een echtpaar in overeenkomstige omstandigheden zou gelden.
**3..** Voor het in het eerste lid bedoelde kind dat aanspraak heeft op studiefinanciering op grond van hoofdstuk II van de wet op de studiefinanciering, wordt het inkomen uit studiefinanciering bepaald op het in deze wet vastgestelde normbedrag voor levensonderhoud, ongeacht de feitelijke draagkracht uit inkomen van de studerende(artikel 33 Wet werk en bijstand)
**4..** Het recht op bijzondere bijstand in de vorm van een toeslag voormalig een-ouder-gezin wordt eenmaal per 12 maanden opnieuw beoordeeld met een heronderzoek.
Artikel 10
Toeslag voormalige alleenstaande ouder
Onderdeel van Beleidsregels bijzondere bijstand2008