Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1.

Artikel 7.

Afzien van het opleggen van een maatregel

Onderdeel van Maatregelenverordening IOAW en IOAZ 2011

1.. Het dagelijks bestuur ziet af van het opleggen van een maatregel indien: elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die gedraging door het dagelijks bestuur heeft plaatsgevonden, tenzij de gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die gedraging ten onrechte een uitkering is verleend. Een maatregel wegens schending van de inlichtingenplicht wordt niet opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de betreffende gedraging heeft plaatsgevonden. 2.. Het dagelijks bestuur kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Omstandigheden die het rechtstreekse gevolg zijn van een als verwijtbaar aan te merken gedraging zijn geen dringende redenen. 3.. Indien het dagelijks bestuur afziet van het opleggen van een maatregel op grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling gedaan.

Rechtspraak bij dit artikel