1. Ter zake van vaartuigen met een vaste ligplaats wordt, indien een belastingplichtige als bedoeld in artikel 3, eerste lid, is aangewezen:
a. Het aantal personen dat verblijf heeft gehouden, bepaald op:
drie, bij een vaartuig met een lengte van ten hoogste acht meter;
vier, bij een vaartuig met een lengte van meer dan 8 doch ten hoogste 12 meter;
vijf, bij een vaartuig met een lengte van meer dan 12 meter;
b. Het aantal etmalen dat door de onder a bedoelde personen verblijf is gehouden, bepaald op 24.
2. Het aantal vaartuigen als bedoeld in het eerste lid wordt vastgesteld op het gemiddelde van een viertal tellingen gedurende het belastingtijdvak, waarbij iedere telling valt binnen een afzonderlijke periode van 1,5 maand.
Artikel 6
Forfaitaire berekeningswijze van de maatstaf van heffing
Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van watertoeristenbelasting 2012