1. Onder een zelfstandige eenheid wordt verstaan: a. blaasorkest;
b. mars- en showorkest;
c. jeugdorkest. 2. De organisatie dan wel de onderliggende eenheden dienen door een landelijke koepelorganisatie erkend te zijn.
3.
a. een blaasorkest is een harmonie, fanfare of blaaskapel, echter niet zijnde een dweilorkest b. een mars- en showorkest is een drumfanfare, showband, drum- en malletbands, tamboer-, fluit-, lyra-, pijper- en/of jachthoornkorps eventueel aangevuld met een majorettegroep en/of met een vendelgroep; c. een jeugdorkest is een jeugdafdeling van de in lid 1. onder a of b, genoemde eenheden. 4. De subsidie voor blaasorkesten, mars- en showorkesten en jeugdorkesten bestaat uit: a. een basisbedrag van € 742,00 voor een organisatie bestaande uit één van de hierboven genoemde eenheden; b. een basisbedrag van € 1.239,00 voor een organisatie bestaande uit twee van de hierboven genoemde eenheden; c. een basisbedrag van € 1.487,00 voor een organisatie bestaande uit drie of meer van de hierboven genoemde eenheden; d. een bedrag van maximaal € 1.953,00 in de totale kosten van de professionele artistieke leiding; (Verwijderen vanaf 2014); e. een bedrag van maximaal € 496,00 in de totale kosten van niet-professionele artistieke leiding. 5. Een dirigent of instructeur is bevoegd als hij/zij voldoet aan de toetredingsvoorwaarden van de Bond van orkestdirigenten en instructeurs. Degenen die studerend zijn hiervoor, kunnen worden ingeschreven als aspirant-lid en wel gedurende een periode van 4 jaar. De vaststelling van de vakbekwaamheid geschiedt aan de hand van de behaalde diploma’s.
Hoofdstuk 5 › Paragraaf 2
Artikel 5.4
Artikel 5.4
Onderdeel van Nadere regels voor welzijnssubsidies