De vergunning kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken indien:
blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend;
blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften bedoeld in artikel 12 lid 5 niet naleeft;
de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument zwaarder dient te wegen;
binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de vergunning geen begin met de werkzaamheden is gemaakt;
tussen het begin en het einde van de werkzaamheden deze werkzaamhedenlanger dan een aaneengesloten periode van 26 weken stilliggen.
Hoofdstuk 3.
Artikel 14.
Intrekken van de vergunning
Onderdeel van Erfgoedverordening 2010 Gemeente Schiedam