Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Artikel 3

Onderdeel van Toeslagenverordening Wet werk en bijstand Gouda 2012

1.. De norm, bedoeld in artikel 20, eerste lid, onderdeel b, en tweede lid, onderdeel b, van de wet wordt verhoogd met een toeslag indien de alleenstaande of de alleenstaande ouder hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander. 2.. De toeslag als bedoeld in het eerste lid wordt voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft, bepaald op 20% van de gezinsnorm. 3.. De toeslag als bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder, 10% van de gezinsnorm indien: a. een woning wordt bewoond waarin één of meer anderen hun hoofdverblijf hebben; b. de alleenstaande of alleenstaande ouder zijn woonadres heeft in een instelling voor maatschappelijke opvang. 4.. In afwijking van het derde lid, wordt de toeslag bepaald op 20% van de gezinsnorm indien in de woning van de alleenstaande of de alleenstaande ouder voorts slechts het hoofdverblijf hebben: a. thuisinwonende kinderen van 18 jaar of ouder die een in aanmerking te nemen inkomen hebben van ten hoogste het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger onderwijs, genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000, of; b. asielzoekers met geen ander inkomen dan een toelage op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen (Rva) 2005 en het Zelf Zorg Arrangement, of; c. degenen die de belanghebbende als verzorgingsbehoeftige verzorgt of die als verzorgingsbehoeftige door de belanghebbende wordt verzorgd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel