Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 7.

Artikel 25.

Beperkingen

Onderdeel van Verordening Voorziening Maatschappelijke ondersteuning Gemeente Katwijk 2012

1.. Een voorziening kan slechts worden toegekend voor zover: a.   de noodzaak voor het te bereiken resultaat langdurig is, tenzij kortdurende hulp bij het huishouden leidt tot het te bereiken resultaat; b.   de te verstrekken voorziening als de goedkoopst-compenserende voorziening aan te merken is; c.   de voorziening in overwegende mate op het individu is gericht. 2.. Geen voorziening wordt toegekend: a.   als de voorziening algemeen gebruikelijk is; b.   als de belanghebbende niet woonachtig is in de gemeente Katwijk; c.   voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan het moment van aanvragen of het moment van beschikken heeft gemaakt; d.   voor zover een voorziening als die waarop de aanvraag betrekking heeft reeds eerder in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken is, tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan belanghebbende zijn toe te rekenen, of tenzij belanghebbende geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten; e.   voor zover er van de zijde van de belanghebbende geen sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie voorafgaand aan het optreden van de beperkingen waarvoor de voorziening wordt aangevraagd; f.    als een voorziening niet noodzakelijk is vanwege redelijkerwijs van de belanghebbende zelf of van anderen in diens omgeving, zoals familieleden of huisgenoten, te vergen medewerking aan het oplossen van het zich voordoende probleem; g.   als de voorziening aangevraagd wordt op een moment dat op basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat deze voorziening noodzakelijk zou zijn en er daarmee geen sprake is van een onverwacht intredende noodzaak; h.   als de gevraagde voorziening naar het oordeel van het College niet medisch of psychosociaal noodzakelijk is; i.    als in de persoon gelegen factoren een adequaat en verantwoord gebruik van de voorziening belemmeren; j.    als belanghebbende op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (artikel 4.2 lid 2) voldoende financiële capaciteit heeft om zelf de voorziening te realiseren. 3.. Bij het compenseren van beperkingen die een belanghebbende ondervindt in zijn maatschappelijke participatie wordt rekening gehouden met de keuzes die deze persoon maakt in het leven, waarbij verwacht mag worden dat deze persoon geschikte keuzes maakt rekening houdend met de beperkingen die horen bij de individuele omstandigheden van de belanghebbende.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel