Naar hoofdinhoud
1.. De raad stelt bij de aanvang van een nieuwe raadsperiode de indeling van de begroting voor de komende raadsperiode vast in programma’s, paragrafen en de financiële begroting, en het moment van invoering van de (gewijzigde) indeling van de begroting; 2.. De raad stelt bij de aanvang van een nieuwe raadsperiode, op basis van de door het college aan de programma’s toegewezen producten, de onderverdeling van de programma’s in deelprogramma’s vast. 3.. De raad stelt per deelprogramma vast: - Wat omvat het deelprogramma?: de inhoud van het deelprogramma; - Wat willen we bereiken?: de beoogde maatschappelijke effecten; - Wat gaan we daarvoor doen?: de daarbij beoogde activiteiten; - de prioriteiten of speerpunten van beleid en: - Wat kost het?: de daarbij horende middelen. 4.. Het college geeft per deelprogramma in het onderdeel ‘Hoe gaan we dit meten’ aan hoe het maatschappelijke effect gemeten wordt. Het college doet daarvoor een voorstel met SMART-geformuleerde indicatoren of meetbare doelen. De raad stelt deze indicatoren vast. 5.. Bij de jaarstukken wordt door het college verantwoording afgelegd over de realisatie van in de begroting opgenomen programma’s en paragrafen. De indeling van de jaarstukken volgt daarbij de indeling van de begroting van het betreffende jaar. In de verantwoording geeft het college antwoord op de volgende vragen: Wat hebben we bereikt?; Wat hebben we daarvoor gedaan?; Realisatie van prioriteiten of speerpunten; Wat heeft het gekost? en De gerealiseerde maatschappelijke effecten, werkelijke cijfers van indicatoren of doelen.

Rechtspraak bij dit artikel