Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1

Artikel 6

Afzien van een maatregel

Onderdeel van Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand

Eerste lid Het afzien van een maatregel ‘indien elke vorm van verwijtbaarheid’ ontbreekt, is geregeld in artikel 18, tweede lid WWB. Hieronder staat aangegeven hoe in bepaalde situaties met de verwijtbaarheid kan worden omgegaan: Bekendheid met de verplichting Er kan van verwijtbaarheid geen sprake zijn als de klant redelijkerwijs niet kon weten dat hij aan een verplichting zou moeten voldoen. Om ervoor te zorgen dat klanten op de hoogte zijn van hun verplichtingen, worden deze in de beschikking opgenomen. Fouten van de dienst Als het niet nakomen van verplichtingen (mede) een gevolg is van handelen van SZW moet daarmee rekening gehouden worden. Taalproblemen Het enkele feit dat een klant de Nederlandse taal niet machtig is, zal op zichzelf nooit leiden tot de conclusie dat het gedrag niet verwijtbaar is. Verwijtbaarheid en ontslag Het gaat hier om in de persoon gelegen factoren in relatie tot het ontslag. Bij weigering van een werkloosheidsuitkering of ontslag op staande voet zal in het algemeen sprake zijn van verwijtbaarheid. Tweede lid Een andere reden om af te zien van een maatregel is dat de gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden. Omwille van de effectiviteit en het bevorderen van de gewenste gedragsverandering, is het wenselijk dat een maatregel zo spoedig mogelijk nadat de gedraging heeft plaatsgevonden, wordt opgelegd. De algemene regel is dat geen maatregel wordt opgelegd voor gedragingen die langer dan één jaar geleden hebben plaatsgevonden. Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden en als gevolg waarvan ten onrechte bijstand is verleend of een te hoog bedrag aan bijstand is verleend, geldt in de regel een termijn van vijf jaar. Met deze termijn wordt aangesloten bij de termijn die stond in artikel 14evan de Abw in verband met het opleggen van een boete wegens niet-nakoming van de informatieplicht. Een termijn van vijf jaar ligt voor de hand gelet op de ernst van de gedraging (fraude) en gelet op het feit dat de gemeente vaak tijd nodig zal hebben om de omvang van de fraude (het benadelingsbedrag) vast te stellen. Derde lid Hierin wordt geregeld dat afgezien kan worden van (het uitvoeren van) een maatregel indien daarvoor dringende reden aanwezig zijn. Wat dringende redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op voorhand worden vastgelegd. Gedacht kan worden aan een zodanige samenloop van omstandigheden dat deze, als de maatregel wordt uitgevoerd, tot gevolg hebben dat de belanghebbende in een ernstige financiële noodsituatie komt, waardoor bijvoorbeeld onmiddellijke huisuitzetting dreigt of een pas begonnen schuldsaneringstraject wordt gefrustreerd. Dringende redenen zijn echter niet uitsluitend van financiële aard; ook immateriële omstandigheden kunnen een rol spelen. Anders dan in het eerste lid is de maatregel wel terecht opgelegd, maar wordt deze op grond van een dringende reden niet uitgevoerd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel