De voorzitter vraagt, of stemming wordt verlangd. Indien
geen stemming wordt gevraagd en ook de voorzitter dit niet
verlangt, stelt de voorzitter vast dat het voorstel zonder
hoofdelijke stemming is aangenomen.
In de vergadering aanwezige leden kunnen aantekening in het
verslag vragen, dat zij geacht willen worden te hebben
tegengestemd of zich op grond van artikel 28 Gemeentewet van stemming te hebben
onthouden.
Indien door een of meer leden stemming wordt gevraagd, doet
de voorzitter daarvan mededeling.
Om te bepalen bij welk lid van de raad, de hoofdelijke
stemming zal beginnen wordt bij loting een volgnummer van de
presentielijst aangewezen; bij het daar genoemde lid begint
de hoofdelijke stemming. Vervolgens geschiedt de oproeping
naar de volgorde van de presentielijst.
De voorzitter (of de griffier) roept de leden van de raad
bij naam op hun stem uit te brengen.
Bij hoofdelijke stemming is ieder ter vergadering aanwezig
lid dat zich niet van deelneming aan de stemming op grond
van artikel 28 Gemeentewet moet onthouden
verplicht zijn stem uit te brengen.
De leden brengen hun stem uit door het woord ‘voor’ of
‘tegen’ uit te spreken, zonder enige toevoeging.
Heeft een lid zich bij het uitbrengen van zijn stem vergist,
dan kan hij deze vergissing nog herstellen voordat het
volgende lid gestemd heeft. Bemerkt het lid zijn vergissing
pas later, dan kan hij nadat de voorzitter de uitslag van de
stemming bekend heeft gemaakt wel aantekening vragen dat hij
zich heeft vergist; in de uitslag van de stemming brengt dit
echter geen verandering.
De voorzitter deelt de uitslag na afloop van de stemming
mede, met vermelding van het aantal voor en tegen
uitgebrachte stemmen. Hij doet daarbij tevens mededeling van
het genomen besluit.
Hoofdstuk 3 › Paragraaf 3
Artikel 26
Algemene bepalingen over stemming
Onderdeel van Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad